De Joden in de koran

De Joden spelen een grote rol in de koran. Niet alleen als historisch volk dat een openbaringsboek (Torah) heeft ontvangen en dus aan God/Allah is gelieerd, maar ook live: Mohammed komt ze namelijk tegen, niet in Mekka, maar in Medina. Daar woonden diverse groepen (‘stammen’) gearabiseerde Joden. Mohammed zoekt hen op want hij wil een bondgenootschap met hen sluiten, maar raakt in conflict met hen (incl. militaire verwikkelingen). Dat laatste verklaart de polemische toon van veel passages waarin Joden voorkomen.
Los van die polemiek lijken de verhalen over het bijbelse volk Israël vooral bedoeld als ‘waarschuwing’ voor de echte gelovigen (= moslims), nl. over ‘hoe het niet moet’ als je een Profeet in je midden ontvangt (= vergelijkbaar met de christelijke ‘catechese der verguizing’).

Volkeren van het boek

In de islam behoren Joden net als Christenen tot de Ahl al-Kitāb, de volkeren van het boek. Dit betekent dat zij via ‘een boek dat God heeft neergezonden middels een profeet’ toegang hebben tot de openbaring. Echter zij hebben – nog steeds volgens de koran – de openbaring niet echt onderkend, laat staan erkend. Bewijs? Ze aanvaarden de ‘volkomen openbaring’ van de Profeet niet. Als ze dat zouden doen, zouden ze gelovigen zijn, d.w.z. moslims (zij die ontzag hebben voor Allah en zijn wil, zoals die door de Profeet is kenbaar gemaakt). Tekenend is de verzuchting:

Als de volken van het Boek maar geloofden en vreesden,
dan zouden Wij hun zonden kwijtschelden
en zouden Wij hen doen binnengaan in de paradijselijke tuinen.

soera 5:65

Of :

Als de volken van het Boek geloofden,
dan zou dat beter voor hen zijn.
Onder hen zijn gelovigen
maar de meesten hunner zijn kwaadbedrijvers

soera 3:110

De vraag is nu wie met de ‘gelovigen’ onder Joden en wie met de ‘kwaadbedrijvers’ worden bedoeld en welke algemeen aanvaarde interpretaties daarvan in de islamitische wereld bestaan. De Joden zelf worden op verschillende manieren aangeduid in de Koran:  Yahūd (Joden), Qawm al-Mūsa (het volk van Mozes) en als het over de Exodus uit Egypte gaat ook vaak met Banū-l-Isrā’īl(de kinderen Israëls). Het verhaal van de uittocht uit Egypte onder leiding van Mozes is een belangrijk thema in de koran (zie bijv. soera 7, 20, 26, 28.).

Uitverkoren, maar onverbeterlijk

Allah koos dit volk om zijn eerste profeten naar toe te zenden. De koran bevestigt dat de Joden uitverkoren zijn (44:32) en dat God ze uit Egypte door de zee naar het het land geleid heeft, en dat hij aan Mozes de Torah gegeven heeft etc (zie bijv. 7:103-176 – uitgebreide passage). Maar toen Mozes eenmaal met zijn volgelingen over de bodem van de Schelfzee (‘de uiteen-wijkende zee’) de overkant bereikt had, was het snel gedaan met het geloof van de kinderen Israels. Ze begonnen te mopperen over het eten (2:61 – verwijzing naar het ‘manna’. In de bijbel ook een weerkerend motief: morren, murmuren: ‘ach waren we maar bij de vleespotten van Egypte gebleven’) en zij tuigden een kalf op met hun sieraden (2:54). U voelt aan, dat de Joden hun privileges eigenlijk hebben verspeeld. Ze zijn een ‘hardnekkig’ volk met ‘stenen harten’ (2:74).

Een volk van ongelovigen

Zodoende vervullen de ‘ongelovige’ Joden in de koran vooral de rol van de mensen die – tegen beter weten in – weigeren boete te doen, die zich niet aan de sabbat houden (2:65, 7:163-7) en die de openbaring hebben vervalst of delen ervan hebben achtergehouden (4:46, 5:13, 5:41, 6:91). Deze klacht is volgens Mohammed niet nieuw. Ook de Joodse profeten klaagden er al over (m.n. Mousa/ Mozes en Isa/Jezus). In de Koran wordt vervolgens gesproken van de bestraffingen die de overtreders en sabbat-brekers ten deel vallen. Zij worden vergeleken met apen (volgens anderen zelfs effectief in apen veranderd (2:65 “Wij zeiden tot hen: Weest als opgejaagde apen”, idem in 7:166), maar ook verbanning, rampen, verdrijving en vernedering valt hen ten deel (2;61, 3:12, 7:162-168, 17:5-8). Ondanks hun evidente ongehoorzaamheid, blijven zij volhouden dat ze uitverkoren zijn (62:6 : “de verbondenen van Allah”).

Profetenmoordenaars

En als  klap op de vuurpijl worden de Joden ook beschuldigd van profetenmoord, wat gezien de hoge status van de ‘Profeten’ natuurlijk een doodzonde is. Twee citaten uit soera 2 (waar de geschiedenis van Israël en de houding van de Joden in Medina uitgebreid aan bod komt).

… En zij (= morrende Joden) haalden zich de toorn van Allah op de hals,
omdat zij de tekenen van Allah niet geloofden
en de profeten hadden gedood
zonder rechtvaardiging;
omdat zij ongehoorzaam waren geworden
en vijandig.

soera 2:61 [slot]

En wanneer tot hen gezegd wordt:
‘Geloof in wat Allah heeft nedergezonden’ (= profetische openbaring), dan zeggen zij:
‘Wij geloven in wat Allah heeft nedergezonden’
– Maar zij geloven niet in wat daarna is (= profetische openbaring aan/van Mohammed),
terwijl dat toch het wezenlijke is,
bevestigend de waarheid van wat bij hen is (= Torah),
Zeg, “Waarom hebben jullie dan vroeger Allah’s profeten gedood, indien gij gelovigen waart?” –

soera 2:91

Soortgelijke opmerkingen vind je ook in soera 3: 181 en 4:155.

Goede en slechte Joden

Hoe zit het dan met het respect voor Joden in de koran? Dat is er zeker. Dat ze zo stevig worden aangepakt, heeft ongetwijfeld te maken met de concrete ervaringen van Mohammed. De aanval geldt ook niet het hele volk, maar betreft in de koran een specifieke groep Joden in een specifieke historische context. Met name gaat het om de diverse Joodse stammen, waarvan de leiders Mohammed niet als Profeet/Leider wilden erkennen. Mohammed had daar klaarblijkelijk wel op gerekend. Hij was toch een profeet, zelfs ‘De Profeet’. Toen de Joden echter niet onder de indruk bleken, verkeerde zijn verwachting in woede.1 In de moslimtraditie wordt deze verwerping van Mohammed (en zijn reciet) als ‘ongehoorzaamheid’, ‘verraad’ en ‘vijandschap’ bestempeld, want met Mohammed verwierpen ze immers ook God.

‘Pauschale oordelen’ (vervloeking van alle Joden zonder onderscheid) vind je in de koran m.i. niet, hoewel de passage die volgt op de vervloeking van de ongelovige Joden (soera 5:79-81) niet echt genuanceerd te noemen is: Als het over vijandschap tegenover ‘de gelovigen’ (= moslims) gaat, dan zijn de Joden de ergste, zegt Mohammed/Allah. Op de tweede plaats komen degenen die ‘God genoten geven’ (=polytheïsten). Enkel de christenen (m.n. priesters en monniken) willen nog wel eens meevallen :

82. Gij zult bevinden dat hevigsten der mensen
in vijandschap jegens hen die geloven
de joden zijn
en zij die [aan God] genoten geven;
en gij zult bevinden als de naasten hunner
in genegenheid voor hen die geloven
degenen die zeggen:
Wij zijn christenen.
Dat omdat onder hen zijn
priesters en monniken
en omdat zij zich niet verhovaardigen.
83 En wanneer zij1 horen wat nedergezonden is
tot de boodschapper
ziet gij hun ogen overvloeien van tranen
wegens wat zij leren kennen van het wezenlijke
terwijl zij zeggen:
Onze Heer, wij geloven.
Zo schrijf ons op met de getuigenden.

soera 5:82-83

(Sommige) christenen zijn best te pruimen, omdat zij zich niet ‘verhovaardigen’, d.w.z. zij erkennen de Boodschap als waar en onderwerpen zich aan de Profeet: zij bekeren zich. Blijkbaar hadden enkele priesters en monniken dat gedaan. De Joden niet. Die zijn helemaal niet onder de indruk van Mohammed’s argumentatie op grond van hun eigen Geschriften en blijven weigeren zich aan Allah/Mohammed te onderwerpen.

Gelovig of niet-gelovig zijn, that’s the question

Gelovigen dat zijn dus degenen die ontvankelijk zijn voor de boodschap van de profeten en dus Mohammed (h)erkennen als ‘Profeet’ en zijn ‘openbaring’ (de Koran) ontvangen als de definitieve openbaring. Vanuit moslimperspectief is deze ‘bekering’ een terugkeer tot de islam. Mohammed Sayyed Tantawi, bij leven grootimam van de Al-Azhar Moskee en sjeich van de bijbehorende Universiteit, promoveerde op dit onderwerp (Banū Isrā’īl fi-l-Qur’ān wa-l-Sunna, ‘Kinderen Israëls in Koran en Sunna’). Zijn opvattingen kunnen als normatief en representatief worden beschouwd voor de mainstream islam. Naar aanleiding van Koranvers 3:113-115 2 stelt hij over Joden:

“Dit betekent dat niet alle Joden hetzelfde zijn. De goeden onder hen worden moslim en de slechten niet.”

P.S. Jodenhaat in de Hadith?

De polemische toon tegen Joden in de Koran heeft dus een historische context. Mohammed kon de Joodse stammen van Medina maar niet overtuigen zijn kant te kiezen. Zij aanvaardden hem niet als Profeet, en verwierpen ook zijn daarop gebaseerde leidersclaim. Zo kwamen zij in het vijandige kamp (van de Mekkanen) terecht. Volgens de moslimtraditie is dit hoogverraad en verdiende dus straf. Die is dan ook militair voltrokken, al wordt dat in de koran zelf niet met zoveel woorden beschreven. Daar staat droogweg:

En Hij heeft diegenen van de lieden van de Schrift,
die hen [Mekkaanse strijders] ondersteunden,
nedergebracht uit hun vestingen
en ontzetting geworpen in hun harten,
doordat gijlieden een deel hunner dooddet
en een deel hunner tot gevangenen maaktet.

soera 33:26

In de hadith is dit verhaal een vast onderdeel van leven/werk van de Profeet. Het figureert ook in de Sira (het officiële levensverhaal van de profeet). En de détails zijn gruwelijk (zelfs voor die tijd). Na een lange belgering geeft de Joodse stam zich over. De door Mohammed voorgestelde rechter besluit dat “alle Qurayzah-mannen zullen ter dood worden gebracht, hun goederen in beslag genomen en hun vrouwen en kinderen als slaven verkocht.”, waarop Mohammed hem feliciteerde met de woorden: “Jij hebt het vonnis uitgesproken dat Allah heeft geveld in de zevende hemel.” De profeet gaf vervolgens opdracht een diepe kuil te graven in het midden van de markt van Medina, waarna de mannelijke gevangenen (latere overleveringen noemen als aantal: 700 personen) één voor één werden onthoofd. De mooiste vrouwen gaf hij aan zijn helpers (huurlingen) om te verkopen op de markt.3. Zoals gezegd, in de populaire islam is dit een algemeen gekend en geaccepteerd stuk van de traditie. Het is ‘stock-knowledge’ en hoort bij het standaardbeeld van Mohammed als leider en van de Joden als zijn tegenstanders. Waarmee ik maar zeggen wil, dat in de koran de anti-Joodse ondertoon nog wel gemilderd wordt door (of in elk geval een tegenwicht, een tegenstem, vindt in) de verzen uit de eerste Mekkaanse periode, maar dat in de periode daarna (Hadith) de negatieve houding t.o.v. de Joden (resulterend in Jodenhaat) alle ruimte krijgt zich te ontplooien. Het is een vast onderdeel van de volks-islam, temeer daar men zich vaak nauwelijks bewust is van het onderscheid tussen beide tradities (koran en hadith).

Daarom is de overtuiging dat ‘de Joden vervloekt zijn door Allah’ helaas een algemeen islamitisch ‘geloofsartikel’, maar lees verder:

Tijdgebonden?

Nu, in boeken uit de 7de -9de eeuw is geweld bepaald niet ongebruikelijk. Moreel ervaarde men dat ook heel anders dan vandaag. Het waren ‘harde tijden’. Op dit punt is onze tijd de uitzondering (scrupules, gêne als het om geweld tegen leden van de out-group gaat, zijn relatief recent in de ontwikkeling van de mensheid). Zo kun je ‘historisch’ de strijd tussen Mohammed en de Joden van Medina prima een plaats geven in de algemene mensengeschiedenis. Zo ging dat toen. Karel de Grote, de kruisvaarders en sultan Saladdin deden het allemaal. Menschliches, allzu menschliches… Problematisch is dat in de koran/hadith dit geweld niet een ‘menselijk-politiek’ gebeuren is, maar een ‘goddelijk-religieus’ fenomeen. Het wordt niet enkel gelegitimeerd, het wordt bevolen (door Allah). Netzoals in de Bijbel (verhalen uit de boeken Samuel/Koningen). Dat is toch wel belangrijk: Of zulks in een ridderroman voorkomt, een vertelling uit 1001-nacht, of in een Heilig Boek, maakt verschil.

Daar komt dan nog bij dat er een verheerlijking van quasi gratuit geweld tegen Joden voorkomt in de hadith/biografie van Mohammed. Vervloekingen die tijdloos klinken, en die in de huidige context gemakkelijk kunnen worden (mis-)verstaan als een oproep tot Jodenmoord. Bekend is onderstaand verhaal, reeds overgeleverd door Ibn Ishaq, Sira, nrs. 553-554. Het wordt zonder context verteld, net na het verslag van de door Mohammed bevolen moord op Ka’b ibn al-Ashraf, een Joodse leider en dichter uit Medina, die zich tegen Mohammed had verzet. Het staat in het leven van de Profeet nog voor de gruwelijke ontknoping die ik hierboven heb beschreven.

Het verhaal van Muhayyisa

Uit het Leven van de Profeet (Ibn Ishaq, Sira, nrs. 553-554)
De Boodschapper van Allah zei: “Dood elke jood die in jullie handen valt.” Toen Muhayyisa dit hoorde viel z’n oog op een Joodse koopman met wie hij goede relaties onderhield, en hij doodde hem. Toen zijn broer Huwayyisa – die op dat moment nog geen moslim was – dit vernam, berispte hij hem en zei: “Je bent een vijand van Allah, hoe kun je iemand vermoorden dankzij wie je zelf rijk bent geworden!?”. Hierop verklaarde Muhayyisa, dat hij ook hem zou doden mocht de profeet dit bevelen. Huwayyisa was hiervan zo onder de indruk, dat hij uitriep: “Een godsdienst die een mens tot zoiets kan brengen, is echt geweldig!” en hij bekeerde zich en werd moslim.4

Of dit echt zo gebeurd is weten we natuurlijk niet. Als historicus en tekstanalist komt mij dit toch echt over als ‘ik zal je nog eens een sterk verhaal vertellen’… Maar dat korangeleerden, imams en sjeichs, dit verhaal zo aan hun leerlingen vertellen, weten we wel.


  1. Een soortgelijk dovemansgesprek hadden de Joden ook geregeld met christenen. Bijv. met Hiëronymus, die ook dacht dat hij de Joden wel zou kunnen bekeren door ze duidelijk te maken dat hun eigen teksten toch de Messias Jezus aankondigden. Integendeel. Hiëronymus kreeg lik op stuk. Zijn gesprekspartners pakten de teksten erbij en lieten hem zien hoe hij de Hebreeuwse tekst eigenlijk helemaal niet goed had begrepen. Van de weeromstuit ging Hiëronymus dan maar Hebreeuws leren. Daaraan hebben we de prachtige vertaling van het Oude Testament in het Latijn te danken, die wij kennen als ‘de Vulgaat’, maar dat is een ander verhaal.
  2. Een lange passage waarin de ‘gelovigen’ worden gewaarschuwd als de Joden hen in de waren proberen te brengen, uitlopend op een heldere verwoording van de tweedeling tussen de slechten en de goeden. De slechten worden geschetst in de bewoordingen die we reeds citeerden. Ze verwerpen de boodschap en worden profetendoders (3:112). De goeden worden geschetst als getrouwe bidders (salaat), die geloven in Allah en de Laatste dag en die volijverig zijn in goede werken (3:113-115).
  3. Ibn Ishaq, Sira, nrs. 688-689.
  4. Ibn Ishaq, Sira (Leven van de Profeet), nrs. 553-554. Engels: The Messenger of Allah said, ‘Kill any Jew who falls into your power.’ Hearing this Muhayyisa fell upon Ibn Sunayna, a Jewish merchant who was a business associate and killed him. Muhayyisa’s older brother, Huwayyisa (who was not a Muslim at the time), began to beat him, saying: ‘You enemy of Allah, how could you kill a man who was your friend and partner in many business deals (orig. ‘the fat on your belly comes from his wealth’). Muhayyisa said: ‘Had the one who ordered me to kill him, ordered me to kill you, I would have done it immediately.’ His brother said, ‘By Allah, you mean that if Mohammed said to cut off my head you would do it?’ ‘By Allah , Yes,’ said Muhayissa, and Huwayyisa exclaimed, ‘By Allah, any religion which brings you to this, is marvelous.’ And he became a Muslim.