De nachtelijke reis naar Jeruzalem (en de hemelvaart)

De nachtelijke reis, de mi’raj

Dit zeer geliefde verhaal heeft maar een zeer smalle basis in de koran zelf: een droge mededeling dat Mohammed een openbaring ontving in ‘het verste gebedshuis’ (arabisch: ‘al aqsa‘). That’s it. U vindt deze mededeling in het eerste vers van soera 17 over de kinderen Israels. Op deze basis groeide een heel verhaal over een reis door de lucht (op een gevleugeld wit paard met een vrouwenhoofd, een soort arabische Pegasus) naar waar ooit de tempel heeft gestaan (en na Mohammeds dood een moskee is gebouwd, onder kalief Omar). Volgens Soera 17 vindt ‘in het verste gebedshuis’ een gesprek plaats met Adam, Abraham, Mozes en Jezus (vgl. het verhaal van Jezus’ verheerlijking op de berg in de evangeliën) en ontvangt Mohammed een reeks belangrijke instructies o.a. over de salaat (dagelijks ‘gebed’). In de latere overlevering wordt het verhaal van de nachtelijke reis aangevuld met een legende over Mohammed’s hemelvaart per ladder naar/door de zeven hemelen. Deze hemelreis wordt jaarlijks gevierd door de moslims: lailat-ul-meraj

Hieronder de versie van nachtelijke reis naar Jeruzalem zoals die te lezen is bij Ibn Ishaq (Mohammed’s eerste biograaf, ca. 120 jaar na Mohammeds dood). Hier functioneert dit verhaal als onverwachte legitimator van de geloofwaardigheid van Mohammed (à contre-pied). Zoals gebruikelijk laat Ibn Ishaq Mohammed zelf aan het woord na een keten van overleveraars (via-via-via) te hebben genoemd (Hisham 265). NB: Let op de verstandige woorden van Aisja aan het slot !

Terwijl ik sliep binnen de omheining van mijn woning kwam Gabriël bij mij en stootte mij aan met zijn voet. Ik ging overeind zitten maar ik zag niets en ging weer liggen. Hij kwam nogmaals bij mij en stootte me aan met zijn voet. Weer ging ik overeind zitten, maar ik zag niets en ging dus weer liggen. Tenslotte kwam hij voor de derde maal en stootte me aan met zijn voet. Toen ik overeind ging zitten, greep hij mij bij mijn bovenarm. Ik stond op en hij bracht mij naar buiten, naar de deur van mijn woning. Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef, terwijl het zijn voorpoten telkens neerzette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op, en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij’.
De profeet reed samen met Gabriël tot Jeruzalem. Daar vond hij Abraham, Mozes en Jezus te midden van enkele andere profeten. De profeet trad op als voorbidder en ging hen voor in de salaat. Vervolgens werden hem twee vaten gebracht, het ene met wijn en het andere met melk. De profeet liet het vat met de wijn staan, maar hij nam het vat met melk en dronk eruit. Toen sprak Gabriël: ‘Gij zijt recht geleid tot hetgeen waartoe God u geschapen heeft, en uw volk evenzo. Wijn is u verboden’.
Toen keerde de profeet terug naar Mekka, en de volgende ochtend vertelde hij zijn stamgenoten wat hem was overkomen. De meesten zeiden: ‘Dit is volkomen onzin! Een karavaan doet een maand over de reis van Mekka naar Syrië, en ook nog een maand over de terugreis, en deze Mohammed zou dat heen en terug in één nacht gedaan hebben?’ Velen die reeds moslim waren geworden, werden toen afvallig. Sommige mensen gingen naar Aboe Bakr en zeiden: ‘Wat vind jij nu van je vriend, Aboe Bakr? Hij beweert dat hij vannacht naar Jeruzalem is geweest, daar de salaat heeft verricht en weer terug is gekomen naar Mekka!’ Aboe Bakr antwoordde dat ze logen, maar toen zij zeiden dat de profeet op datzelfde ogenblik erover aan het vertellen was in de moskee, zei hij: ‘Als hij het zelf zegt, dan is het waar! En wat is er zo vreemd aan? Hij vertelt mij immers ook dat er mededelingen tot hem komen van God, van de hemel naar de aarde, in een uur, en dan geloof ik hem toch ook, en dat is vreemder dan dat waar jullie zo versteld van staan’. Daarop begaf hij zich naar de profeet en vroeg hem of het waar was. Toen deze het hem bevestigde, zei hij: ‘Beschrijf mij Jeruzalem dan eens, want ik ben er geweest’. De profeet begon en telkens als hij iets beschreef zei Aboe Bakr: ‘Dat is waar. Ik getuig dat u de gezant van God bent’.
Iemand uit Aboe Bakr’s familie heeft mij (= Ibn Ishaq) verteld dat Aisja, de vrouw van de profeet, altijd zei: ‘Het lichaam van de profeet is niet weggeweest, maar God heeft zijn geest de nachtreis laten maken’.

16de eeuwse arabische illustratie van de Mi’raj (de nachtelijke reis): Mohammed op Buraq wordt omringd door engelen op zijn weg naar Jeruzalem.

Hierop aansluitend, zoals gezegd, volgt het verhaal over Mohammed’s hemelvaart (bij zijn leven): Daarin doet hij verslag van wat/wie hij zag toen hij de 7 hemelen doorwandelde. Hij treft tenslotte in het paradijs een bijzonder mooi meisje aan, dat hij schenkt aan Zaïd (zijn klerk), een gegeven dat Kader Abdollah ook heeft verwerkt in zijn biografie van Mohammed (die hij helemaal in de mond/pen legt van deze klerk).