Het ontstaan van de islam

historisch onderzoek

In de 19de eeuw ontdekte de geleerde wereld dat de vroegste geschiedenis van het christendom veel meer in nevelen was gehuld dan men altijd had gedacht, en dat de tekst van het Nieuwe Testament als historische bron niet zonder meer bruikbaar was. Ten aanzien van de islam bleef men echter nog geruime tijd van mening dat deze godsdienst wel geboren was ‘in het volle licht der geschiedenis’. Tegenwoordig zijn de godsdiensthistorici ook op dit terrein veel voorzichtiger geworden, want ook over de vroegste geschiedenis van de islam is in feite weinig met zekerheid te zeggen. De ontstaansgeschiedenis van eigenlijk alle godsdiensten, zo begint meer en meer duidelijk te worden, is ondanks alle met veel stelligheid hierover vertelde verhalen grotendeels in nevelen gehuld...

[Hieronder een ingekorte versie van de inleiding bij de uitgave van de koranvertaling van dr. J.H Kramers, bewerkt door drs. Asad Jaber en dr. J.J.G. Jansen (Arbeiderspers/EPO, 1990]

Er bestaat een uitgebreide moslimse overlevering over de vroegste geschiedenis van de islam, maar die overlevering is – althans in de ogen van moderne historici – vaak innerlijk tegenstrijdig. De door de moslimse traditie overgeleverde verhalen zijn vooral stichtelijk, willen de toehoorder overtuigen van het goddelijke karakter van de islam, en bevatten niet het soort gegevens (controleerbare data en plaatsnamen) waar moderne historici naar zoeken. Historici zoeken naar menselijke (sociale, economische, sociologische, psychologische) oorzaken/redenen waarom zo veel Arabieren op het Arabisch schiereiland in een zo korte periode bereid zijn geweest zich tot de islam te bekeren. Vroeger werd er wel gesuggereerd de overgang van een bedoeïenen-samenleving naar een soort kapitalistische stadsmaatschappij hiervoor een verklaring zou kunnen bieden. Die overgang blijkt echter sterk overdreven te zijn. Tegenwoordig wordt het antwoord wel eens gezocht bij de onvrede die er bij veel bewoners van het Arabisch schiereiland zou hebben bestaan over de Ethiopische, Perzische en Griekse penetratie van het schiereiland (cultuurverlies). Hoe dit ook zij, het zoeken naar een antwoord op deze vraag is onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. De andere vraag, nl. of Mohammed inderdaad van de God van Abraham de openbaringen heeft ontvangen die wij nu kennen als de Koran, onttrekt zich aan wetenschappelijke analyse. Daarover zullen wetenschappers dan ook geen uitspraak doen. Hetzelfde geldt voor de vraag of Mohammed een Profeet was, en of de Koran het Neergezonden woord van God/Allah is. Het antwoord daarop valt buiten ons onderzoeksterrein.

Mohammed

Mohammed werd, volgens de moslimse overlevering, geboren in Mekka in het jaar van de Olifant, zo genoemd naar de olifant in het leger van de Ethiopische veldheer Abraha die omstreeks 570 een mislukte aanval op Mekka heeft gedaan. De islamitische traditie vertelt verder dat Mohammed op jeugdige leeftijd wees werd: zijn vader stierf nog voor zijn geboorte en zijn moeder overleed toen hij vijf of zes jaar oud was. Daarna werd hij opgevoed bij familie van zijn vader, in hoofdzaak door een broer van zijn vader, Aboe Talib. De Koran refereert misschien aan deze feiten in soera 93: 6: ‘Heeft Hij u niet gevonden als wees en u toevlucht verschaft?’. Het is uiteraard goed mogelijk dat deze gegevens historisch juist zijn, maar er is wel op gewezen dat zij misschien niet berusten op ‘echte’ herinneringen, maar gegroeid zijn uit de exegese van het boven geciteerde vers uit soera 93.

Een dergelijke redenering kan ook gelden voor het volgende biografische gegeven: omstreeks 595 huwt Mohammed met Khadidja, een weduwe die ouder was dan Mohammed zelf. Soera 93:8 luidt: ‘[Heeft Hij] u [niet] gevonden als hulpbehoevende en u rijk gemaakt?’. Is dit vers een echo van een historische gebeurtenis, het huwelijk met de rijke weduwe Khadidja, of is het verhaal over dit huwelijk een door dit Koranvers in het leven geroepen legende? Een term als ‘rijk maken’ zou immers ook heel goed kunnen verwijzen naar iets anders dan materiele rijkdom en kunnen doelen op een heel ander geschenk dat God Mohammed gegeven heeft, te weten de Koran, net als in het slotvers van deze soera (en elders). ‘En de weldaad van uw Heer, spreek daarvan.’ Het lijkt overdreven zich zorgen te maken over zulke kwesties, en voor moslims is het dat eigenlijk ook. Maar voor iemand die zonder religieuze belangstelling wil weten hoe het leven van Mohammed is verlopen, ligt het voor de hand na te gaan wat de Koran daarover meldt. De formuleringen van de Koran zijn echter vaak zo vaag en duister dat zonder de traditionele commentaren en begeleidende verhalen de teksten soms nietszeggend blijven. Als we het niet al wisten uit traditionele moslimse bronnen, zou immers bijna niets erop wijzen dat soera 93 inderdaad de biografie van Mohammed zelf bespreekt.

Ongeveer honderddertig jaar na het overlijden van Mohammed is er een (uiteraard Arabischtalige) levens beschrijving verschenen, geredigeerd door een zekere Ibn Ishaq. Hiervan is een verkorte Nederlandse vertaling beschikbaar: Ibn Ishaq, Het Leven van Mohammed: de vroegste Arabische verhalen over de Profeet (vertaald en toegelicht door dr. Wim Raven). Het verhaal zoals Ibn Ishaq dat vertelt, is de basis van alle biografieën van Mohammed, zowel de westerse als de islamitische.

De meeste boeken over het leven van Mohammed maken zich wellicht schuldig aan cirkelredeneringen. Gegevens over zijn leven worden geput uit de Koran, maar om de Koran te begrijpen moeten we eerst iets over het leven van Mohammed weten. En wat we daarover weten berust in laatste instantie op de verhalen verzameld door Ibn Ishaq. En Ibn Ishaqs verhalen berusten misschien op hun beurt weer op de tekst van de Koran.

De eerste openbaring

De moslimse traditie heeft een gedetailleerd verhaal bewaard over de eerste openbaring die Mohammed van Godswege heeft ontvangen. Na een periode van vasten en mediteren verscheen de engel Gabriel aan Mohammed; in de woorden die worden toegeschreven aan de profeet zelf:

Gabriël kwam bij mij terwijl ik sliep. Hij zei: ‘Reciteer!’ [Arabisch: iqra’]. Ik zei: ‘Ik kan niet lezen’ [Arabisch: ma ’aqra’oe]. Vervolgens drukte hij mijn keel zo krachtig toe dat ik dacht dat ik dood was. Toen liet hij mij los en zei: ‘Reciteer!’ Ik zei.. ‘Ik kan niet lezen’. Toen drukte hij weer zo hard dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Reciteer!’ Ik zei: ‘Wat moet ik dan reciteren?’, en dat zei ik alleen om van hem af te komen, want ik was bang dat hij het nog eens zou doen. Hij zei: ‘Reciteer in de naam van Uw Heer,’  [volgt de rest van het begin van soera 96]

Het Leven van Mohammed (vertaling Wim Raven, p. 46)

In de Koranvertaling van Kramers wordt ‘Reciteer!’ (iqra’) weergegeven met ‘Lees op!’, zodat de band tussen de (allebei van de wortel q-r-’ afgeleide) Arabische woorden iqra’ en Qoeran (bij Kramers ‘Oplezing’) duidelijk uitkomt. Weer doet zich het probleem voor dat dit verhaal over de eerste openbaring van Mohammed ontstaan zou kunnen zijn uit exegese van het begin van soera 96, en in dat geval komt de informatie die dit verhaal over de beginverzen van soera 96 verschaft dus uiteindelijk uit de Koran zelf, terwijl we het uiteraard juist willen gebruiken als een van buiten de Koran afkomstige bron die ons kan helpen de Koran te begrijpen.

Dat de profeet Mohammed zich tegen het begin van de openbaring verzet zou hebben, en in eerste instantie verlangd zou hebben dat de hem door God opgelegde taak hem voorbij zou gaan, is dan weer een motief dat lezers van de Bijbel niet geheel vreemd zal toeschijnen. Dergelijke aanvankelijke weigeringen worden immers ook van bijvoorbeeld Mozes, Jeremia of Jona overgeleverd. Het begin van soera 93 bevat wellicht een aanwijzing dat de onvoorspelbare onregelmatigheid van het overvallen worden door Openbaringen Mohammed benauwd heeft:

Bij het morgenlicht
en de nacht wanneer hij verstilt:
Niet heeft uw Heer u verlaten
noch u teruggestoten
Het latere is waarlijk beter voor u dan het eerste.

soera 9:1-3

De ochtend en de nacht, zo redeneren sommige Koranuitleggers, wisselen elkaar regelmatig af. Op dezelfde manier wisselen perioden met en zonder openbaring elkaar regelmatig af. Enige tijd geen openbaring ontvangen te hebben betekent niet dat Mohammed door God in de steek is gelaten. Wat er komen gaat, zowel in deze als in de komende wereld, is beter dan wat er tot nu toe geweest is.

De eerste bekeerlingen

Omstreeks 613, zo wil de moslimse overlevering, begon Mohammed in het openbaar te prediken. Zijn eerste bekeerlingen waren volgens de vrome overlevering: (1): zijn vrouw Khadidja; (2) een vrijgelaten slaaf Zayd ibn Haritha; (3) een kind, Ali, de zoon van de Aboe Talib bij wie Mohammed was opgegroeid; (4) een aanzienlijke Mekkaan, Aboe Bakr (van 632-634 de eerste Khalief).

Deze traditie over de eerste vier bekeerlingen illustreert treffend het dilemma van de wetenschappelijke historisch-kritische studie van de vroege islam. Is het niet wat al te toevallig dat juist de vier verschillende groepen uit de toenmalige Mekkaanse maatschappij (te weten een vrouw, een slaaf, een kind en een vrije) vertegenwoordigd zijn? Anderzijds is er niets dat erop wijst dat dit viertal niet behoord zou kunnen hebben tot de allereersten die Mohammed als apostel Gods erkend zouden hebben. Sociologisch onderzoek heeft uitgewezen dat, althans in de twintigste eeuw, de eerste bekeerlingen die een godsdienststichter weet te winnen steeds afkomstig zijn uit zijn allernaaste omgeving. Wie immers zijn naaste omgeving al niet weet te overtuigen van zijn goddelijke missie, heeft, zo lijkt het, weinig kans bij buitenstaanders.

Lotgevallen te Mekka

In Mekka, na ongeveer 611, roept Mohammed zijn stadgenoten op tot overgave aan Gods wil. Op de Dag van het Laatste Oordeel zal God rekenschap vragen aan een ieder. De daden van de mens zullen dan worden gewogen: wie te licht wordt bevonden, wordt verwezen naar het eeuwig Hellevuur, de anderen zullen de geneugten van het eeuwig Paradijs smaken.

De dag der Beslissing is een vastbepaalde tijd.
De dag waarop op de bazuin geblazen wordt
en gij aankomt in scharen.
En de hemel wordt geopend
en van poorten voorzien.

soera 78

Of de verhalen over de vervolgingen (en erger) van Mohammeds eerste aanhangers in Mekka legendarisch of historisch zijn, is moeilijk uit te maken. Wat er ook aan de hand geweest is, het succes van Mohammeds prediking in Mekka is waarschijnlijk beperkt geweest. Wanneer de Koran vertelt over de vroegere profeten die een boodschap als die van Mohammed brachten, zoals bijvoorbeeld Noach, is het aannemelijk dat deze verhalen tegelijkertijd de ervaringen van Mohammed met zijn Mekkaanse stadgenoten weerspiegelen:

Ik heb mijn volk opgeroepen des nachts en des daags.
Doch mijn oproep heeft hen slechts verder weg doen vluchten.
Zij stoppen hun vingers in hun oren en verhovaardigen zich grotelijks.
Ik heb tot hen gesproken openlijk en ook in vertrouwelijkheid.
Zo heb ik gezegd: Vraagt uw Heer om vergeving
Hij is vergevend.
Hij zal u rijkelijk geven.
Mijn Heer laat op de aarde van de ongelovigen geen enkele over.
Mijn Heer vergeef mij en mijn ouders…

soera 71

Vooral de laatste woorden van dit fragment uit soera 71, de soera van Noach, suggereren dat de Koran hier niet alleen de woorden van Noach weergeeft, maar ook de zorgen van Mohammed, wiens eigen ouders immers geen moslim waren geweest. Hoewel de Mekkaanse leider Aboe Djahl druk op de clan van Mohammed uitoefende om Mohammed te dwingen zijn prediking te staken, bleef de clan, waarvan Aboe Talib de leider was, Mohammed desalniettemin steunen. Aboe Talib zelf is nooit moslim geworden; hij sterft in 619 evenals Mohammeds echtgenote Khadidja.

In 620 wint Mohammed de eerste bekeerlingen uit Medina, een oase ten noorden van Mekka. In september 622 ‘snijdt Mohammed de banden met Mekka door’: de ‘uitwijking’, de zogeheten hidjra, van Mekka naar Medina. Hij vestigt zich met een aantal van zijn volgelingen in Medina/Yathrib, waar hij gaat optreden als Hakam, ‘scheidsrechter’, tussen de daar met elkaar in conflict zijnde partijen.

Tevens is hij de leider van de moslims.

Het jaar waarin de hidjra heeft plaatsgehad geldt als het eerste jaar van de moslimse jaartelling. De hidjra-jaartelling wordt vaak aangegeven met de Latijnse afkorting ‘A H’, Anno Hegirae, het jaar van de Hidjra, naar analogie van de afkorting ‘A D’, Anno Domini, het Jaar van [de geboorte van] de Heer [Jezus Christus].

Optreden te Medina

Er zijn in Medina wanneer Mohammed daar aankomt, twee Arabische stammen, Aws en Khazrag, en drie joodse: Banoe Qoeraysja, Banoe al-Nadir en Banoe Qaynoeqa’. Over de joden en de christenen in het antieke pre-islamitische Arabie is nog veel onbekend. Het is goed mogelijk dat de joden in Medina Arabieren waren die zich niet al te lang tevoren tot het jodendom hadden bekeerd. (hier een excerpt uit een lezing over the Jews of Arabia) . Er zijn in ieder geval berichten over een Arabische koning in Zuid-Arabie, Dhoe Noeuwas, die deze stap genomen zou hebben.

Zowel de Grieken als de Perzen beheersten in het noorden van het Arabisch schiereiland kleine christelijke, Arabische koninkrijkjes die als bufferstaatjes tussen de twee wereldmachten Byzantium en het rijk der Sassaniden in waren gelegen. Van hieruit zou derhalve, tegelijk met de Griekse en Perzische invloed, (kennis over) het Christendom zich over het Arabisch schiereiland verspreid kunnen hebben.

Hoe het ook zij, de islamitische geschiedenis spreekt wanneer het over de vroegste periode van de islam gaat over: [1] de moehagiroen, degenen die de hidjra naar Medina gemaakt hebben; [ 2] de ansar, ‘helpers’, oorspronkelijke bewoners van Medina die Mohammed gunstig gezind waren; en [3] de moenafiqoen, ‘huichelaars’, lieden die niet bereid waren zich openlijk tegen Mohammed te keren maar ook niet van zins waren hem actief te steunen.

Vanuit Medina zou Mohammed alleen al in de eerste anderhalf jaar van zijn verblijf zeven militaire expedities tegen Mekkaanse karavanen hebben gehouden. Volgens een overlevering zijn er in totaal 74 expedities (maghazi) vanuit Medina ondernomen.

In maart 624 (Ramadan van het jaar 2 A H) vindt de slag bij Badr plaats. Een klein moslims leger verslaat een Mekkaanse meerderheid waarmee het onverwacht geconfronteerd wordt. (Een Mekkaans leger, onder Aboe Djahl, was een door  Mohammed bedreigde Mekkaanse karavaan die onder leiding van Aboe Sufyan stond en uit Ghaza naar Mekka terugreisde, te hulp gekomen.) Deze overwinning leverde de moslims grote oorlogsbuit en prestigewinst.

Na de overwinning bij Badr verdrijft Mohammed de joodse stam Banoe Qaynoeqa uit Medina. Zijn belangrijkste rivaal in de machtsstrijd in Medina, een zekere ‘Abdallah ibn Ubayy, verliest daardoor ongeveer 700 medestanders. In maart 625 nemen de Mekkanen, onder Aboe Sufyan, wraak voor de nederlaag bij Badr. In de slag bij Oehoed blijken ze evenwel niet echt in staat te zijn de moslims beslissend te verslaan. Volgens sommige bronnen verliezen de ansar bij Oehoed zeventig man, en de moehagiroen vier. Desalniettemin hadden de moslims nu een theologisch probleem: wanneer de overwinning bij Badr een geschenk van God was geweest, waarom dan nu niet weer een overwinning? Bewees Oehoed dat God nu de Mekkanen beschermde? Dit probleem wordt opgelost in soera 3:153, 166 en 173: God had het geloof van de moslims slechts willen beproeven.

In augustus 625 verdrijft Mohammed de joodse stam Banoe al-Nadir uit Medina. In maart 627 doen de Mekkanen weer een poging de moslims te verslaan. Het krachtige leger van de Mekkanen bestond vooral uit cavalerie, die haar kracht evenwel niet effectief kon aanwenden omdat Mohammed waar nodig een gracht (khandaq) rond Medina had laten graven, naar de traditie wil op aanraden van een Perzische bekeerling, Salman. Na een beleg van enkele weken keerden de Mekkanen terug naar Mekka: de cavalerie bleek niet in staat de gracht over te steken en de infanterie van de moslims was superieur. De in Medina woonachtige joodse stam Banoe Qoerayza, die neutraal had weten te blijven maar wel met de Mekkanen had onderhandeld over een mogelijke aanval vanuit Medina op Mohammed, wordt voor deze handelwijze gestraft. De mannen van de stam worden gedood, de vrouwen en kinderen als slaaf verkocht (aldus de algemene vertelling in de hadith).

Mohammed richt vervolgens zijn aandacht vooral op de verschillende woestijnstammen op het Arabisch schiereiland. Hij weet een steeds groter aantal hiervan voor zich te winnen. Met de Mekkanen sluit hij het verdrag van Al-Oudaybiyya (maart 628). Naarmate zich meer stammen bij Mohammed aansluiten, wordt de positie van Mekka zwakker.In januari 630 geeft de stad zich over, in Ramadan van het jaar 8 A H. Tegenover zijn vroegere Mekkaanse vijanden stelt Mohammed zich mild en verzoeningsgezind op. Het jaar 9 A H (april 630 tot april 631) wordt aangeduid als het jaar van de ‘delegaties’ (woefoed). In dat jaar sturen de stammen van het Arabisch schiereiland delegaties naar Mohammed die zich namens hun stammen aan hem onderwerpen. De expansie naar het noorden (Syrie, Palestina, Jeruzalem) begint.
Bij zijn dood, in Medina in juni 632, is Mohammed heerser over het hele Arabisch schiereiland. Hij sterft in de armen van zijn favoriete echtgenote Aisha, de dochter van Aboe Bakr, een van de eerste moslims.

Na de dood van Mohammed

Na zijn dood wordt Mohammed als leider van de moslimse gemeenschap opgevolgd door Aboe Bakr. In zijn functies van profeet en apostel, en overbrenger van de Koran, kon er uiteraard geen sprake zijn van opvolging. Zijn opvolgers nemen de titel ‘Khalief’ aan. Onder de eerste, ‘rechtgeleide’ Khaliefen, Aboe Bakr, ‘Umar, ‘Uthman en ‘Ali (632- 661) vindt de verdere verovering plaats van wat nu het Arabische taalgebied is.

Naar veler opvatting betekent het woord Khalief niets dan ‘opvolger’. Er is echter misschien aanleiding te betogen dat het woord ‘vertegenwoordiger’ (namelijk van God op aarde) betekent. Hoe het ook zij, in het taalgebruik van de latere moslims gaat het woord ‘Khalief’ op den duur ‘soeverein’, ‘vorst’, betekenen.

In de Koran komt het woord ‘Khalief’ twee keer in het enkelvoud voor. In soera 2:30 zegt God tot de engelen over Adam, de eerste mens: ‘Ik ga instellen op de aarde een stedehouder (khalifa)’. In soera 38:26 zegt God tot David: ‘Wij hebben u tot stedehouder op de aarde gemaakt. Vel dus oordeel tussen de mensen’. Beide passages laten toe het woord ‘Khalief ‘ niet als ‘opvolger’ maar als ‘vertegenwoordiger [van God op aarde]’ te interpreteren. Het is derhalve goed verdedigbaar dat dit woord ook wanneer het in de vroegste periode van de islam als titel van de heerser wordt gebruikt, opgevat moet worden als ‘vertegenwoordiger van God op aarde’, en niet als’ opvolger van Mohammed, de apostel Gods’.

Onder de dynastieën van de Omayyadenkhaliefen (in Damascus van 660-750) en de Abbasiden-khaliefen (in Irak vanaf 750 tot 1258, het jaar van de val van Bagdad) vindt de verdere groei en consolidatie van de islam plaats. In het door de moslims veroverde imperium in Egypte, Syrie, Irak, Iran en Noord-Afrika arabiseert de veelal christelijke bevolking na de moslimse veroveringen geleidelijk. Omstreeks de tiende eeuw van onze jaartelling zijn de sprekers van het Arabisch en die van de oorspronkelijke talen (Koptisch, Syrisch, enzovoort) van deze gebieden gelijk in aantal. Op de arabisering volgt, eveneens geleidelijk, de islamisering. Vooral nadat de Mongolen, die in 1258 Bagdad hadden veroverd, zich tot de islam hadden bekeerd (ongeveer 1300 a d), en de kruisvaarders defi nitief waren verslagen, werd het oorspronkelijke inheemse christendom in Egypte en Groot-Syrie meer en meer een marginaal verschijnsel.

De koran als heilig boek

De Koran leert dat Mohammed op dezelfde wijze de Koran heeft ontvangen als de profeten die in de eeuwen voor Mohammed waren opgetreden van Godswege een Schrift hadden ontvangen. In soera 7:144 zegt God tot Mozes:

O Moesa
Ik heb u uitverkoren boven de
mensen door Mijn boodschap te verkondigen
en door Mijn woorden.
Neem dus wat Ik u gegeven heb.

Over Noach, Abraham en Jezus (in de Koran Isa genoemd) wordt in soera 57:26 gezegd:

En Wij hebben uitgezonden Noeh en Ibrahim
en Wij hebben in hun nageslacht
 het profeetschap ingesteld
en ook de Schrift.
Toen deden Wij op hun sporen volgen Onze boodschappers
en Wij deden volgen Isa de zoon van Maryam
en Wij gaven hem de Indzil

In soera 41:41-43 wordt gesteld dat de inhoud van de Koran niet anders is dan die van de eerdere Heilige Boeken: ‘Niet wordt er tot u [Mohammed] iets anders gezegd dan wat reeds gezegd is tot de boodschappers voor uw tijd.’ Ook wordt de Koran, in de Koran zelf, aangeduid als ‘Zijn [Gods] tekenen’, bijvoorbeeld in het begin van soera 62. De verzen van de Koran zijn voor moslims immers, evenals de tekenen in de natuur, een bewijs van Gods wereldbestier. Zoals de vroegere profeten de goddelijkheid van hun missie bewezen met wonderen, zo garanderen de ‘tekenen’ (ayat) van de Koran dat Mohammed inderdaad door God gezonden is. De betekenis van het Arabische woord ayat is zich onder invloed van deze visie gaan ontwikkelen tot het gewone woord voor ‘Koranverzen’.

In soera 22:52 noemt de Koran de mogelijkheid dat de Satan getracht zou hebben in het openbaringsproces te interfereren. God, zo zegt de Koran hierover, heeft zulke satanische bemoeienissen ongedaan gemaakt.

De koran als wetboek

Hoewel de Koran allerlei voorschriften ten aanzien van het menselijk gedrag bevat, en regelmatig zelfs de straffen voor bepaalde vergrijpen vaststelt, is de Koran geen wetboek in de algemene zin van dat woord.

Vooral in de Korangedeelten die dateren uit de periode dat Mohammed als staatsman in Medina optrad zijn regelingen en voorschriften te vinden, maar deze hebben alleen kracht van wet wanneer de moslimse wet, de Sharia, die regelingen ook heeft overgenomen.

De straf voor echtbreuk is een beroemd voorbeeld van een geval waar de regels van de islamitische wet lijken af te wijken van wat de Koran beveelt. Het begin van soera 24 schrijft als straf voor ontucht (zina) geseling voor: ‘De ontuchtige vrouw en de ontuchtige man, geselt een ieder hunner met honderd geselslagen.’ Desalniettemin schrijft de islamitische wet als straf voor echtbreuk steniging voor, evenals trouwens de tekst van het Oude Testament (Leviticus 20:10 en Deuteronomium 22:22-27).

Vanuit moslims oogpunt kan dit verklaard worden door te stellen dat de Koran in soera 24 slechts bedoelt te spreken over ontuchtigen die niet gehuwd zijn en nimmer gehuwd zijn geweest, terwijl de doodstraf voor echtbreuk door middel van steniging niet uit de Korantekst wordt gerechtvaardigd maar uit het voorbeeld van Mohammed en zijn eerste opvolgers, die – zo wordt overgeleverd – ingeval van echtbreuk de echtbrekers veroordeelden tot de dood door steniging.

Hoewel de Koran uiteraard een grote rol speelt, ook in het moslims recht, is het dus niet zo dat de regels van de Koran zonder meer door het moslims recht zijn overgenomen. Vooral overleveringen over hoe de profeet zelf placht te oordelen, kunnen een verklaring zijn voor afwijkingen tussen koranische voorschriften en de wetten van de Sharia die de islam in theorie voorschrijft. Het is voor buitenstaanders derhalve steeds geboden de moslimse Korancommentaren en de moslimse handboeken van het moslims recht te raadplegen.

De vaststelling van de tekst van de koran

De Schotse arabist prof. John Burton heeft er op gewezen dat het merkwaardig is hoe eenstemmig de moslimse traditie is over de rol van Mohammed bij de vaststelling van de tekst van de Koran. De defi nitieve vaststelling zou niet door Mohammed zelf verricht zijn, maar door de eerste Khaliefen, in eerste instantie Aboe Bakr of Oemar.

Khalief Oethman zou een commissie in het leven hebben geroepen die de uiteindelijke Korantekst heeft vastgesteld, en derhalve wordt er gesproken van de ‘Oethmaanse vulgaat’. Deze betrof overigens alleen de consonantentekst: over de details van een aantal vocalen (die in het Arabische schrift met kleine streepjes onder en boven de consonanten worden genoteerd) heeft nog lange tijd verschil van mening bestaan.

Volgens Burton is het echter goed mogelijk dat de laatste redactie van de Koran al door Mohammed zelf is verricht, niet lang voor zijn dood. De bijzonder ingewikkelde redenering die tot die conclusie leidt, is terug te vinden in Burtons boek The Collection of the Qoeran (Cambridge 1977).

De meest gezaghebbende Arabische gedrukte tekst van de Koran is de tekst zoals deze is vastgesteld door een Egyptische Koninklijke Commissie die in 1924 haar werk heeft voltooid. Voordat deze duidelijk en helder gedrukte tekst algemeen beschikbaar was, bediende men zich in Europa in het algemeen van een in 1834 in Leipzig gedrukte, door Gustav Flügel uitgegeven versie. Deze editie is nu grotendeels door de Egyptische ‘Koninklijke’ uitgave verdrongen.

De vorm van de koran

De Koran is ingedeeld in 114 hoofdstukken of ‘soera’s’, die elk een naam hebben die bijna altijd is ontleend aan de tekst van de soera zelf.

Moslims citeren een soera meestal door het noemen van de desbetreffende naam. In het Westen worden de soera’s vaak met behulp van het nummer geciteerd. Elke soera is verdeeld in verzen of aya’s. De langste soera heeft 286 verzen, de kortste 3. De soera’s zijn in de Koran grofweg naar lengte gerangschikt: de langste komen het eerst, de kortere het laatst. De eerste soera is daarop een uitzondering: deze telt slechts 7 verzen.

Dit ordeningsprincipe – dat trouwens ook in het Oude Testament wordt gebruikt bij de rangschikking van de profetische boeken van Jesaja tot Maleachi – heeft tot gevolg dat de latere, in Medina geopenbaarde, langere soera’s voorafgaan aan de kortere, eerder in Mekka geopenbaarde soera’s. Van elke soera meldt de moslimse overlevering of deze in Mekka dan wel in Medina is ‘nedergezonden’. De Mekkaanse soera’s bevatten vooral profetische waarschuwingen, de Medinensische zijn in het algemeen beschouwender van aard.

In aansluiting op de moslimse traditie heeft Richard Bell geprobeerd in zijn Koran -vertaling (The Qoeran Translated with a critical Re-arrangement of the Surahs, eerste druk Edinburgh 1937) aan te geven hoe elke soera is opgebouwd uit korte fragmenten, openbaringseenheden, die niet alleen op grond van de inhoud te begrenzen zijn, maar – vooral – op grond van het aan het eind van ieder vers gebruikte rijm- of assonantiewoord. Wanneer het rijmwoord wisselt, zo valt te veronderstellen, begint een nieuwe openbaringseenheid.

De stijl van de koran

De moslimse geleerden bestrijden dat de verschillende aya’s (verzen) van de Korantekst rijmen. Dit hangt samen met de omstandigheid dat de heidense Mekkanen Mohammed in eerste instantie voor een dichter hielden, zie soera 52:30, en hem niet als profeet wensten te beschouwen.

Het is inderdaad zo dat de regels voor het rijm zoals die gelden voor de klassieke Arabische poezie, voor de tekst van de Koran niet opgaan. Het is dan ook beter te spreken van assonantie als we de klankgelijkvormigheid die we in het Arabisch aan het einde van de aya’s aantreffen, willen beschrijven.

De aya’s die dateren uit de Mekkaanse periode, zijn in het algemeen korter dan die uit de Medinensische periode. Een westerling zou waarschijnlijk zeggen dat de Mekkaanse fragmenten poetisch zijn en de Medinensische prozaisch. Ook zou een westerling de Mekkaanse fragmenten waarschijnlijk als ‘zuiver religieus’ willen karakteriseren, terwijl de latere Medinensische fragmenten daarentegen vaak betogend of juridisch van aard zijn.

De verzen-telling binnen de soeras

De Koranuitgave van Gustav Flügel uit 1834 volgt een verzentelling die teruggaat op die van de moslim-geleerden uit Basra. Deze telling werd tot voor kort door de meeste westerse oriëntalisten gevolgd. De Egyptische Koninklijke Koranuitgave uit 1924 volgt een andere telling, die teruggaat op het werk aan de Korantekst van de moslimse geleerden in Kufa. In sommige edities worden – om misverstand te voorkomen – beide nummeringen afgedrukt.
Verder bestaat het gebruik om in de vastenmaand Ramadan de gehele Koran te reciteren. Daartoe wordt de Korantekst in dertig delen van gelijke lengte verdeeld, de dertig zogeheten agza. In de Egyptische Koranuitgave staat boven aan de rechterpagina steeds aangegeven binnen welk dertigste deel van de Koran de lezer of recitator zich bevindt, en staat boven aan de linkerpagina de naam van de soera.

 .