Historisch onderzoek naar Mohammed’s leven

“Historisch-wetenschappelijk gezien is de beschikbare informatie over de persoon en het leven van Mohammed en de begintijd van de islam niet echt betrouwbaar (in de zin van ‘objectief-feitelijk’), want ze is zonder uitzondering afkomstig van volgelingen van de profeet en van de feiten gescheiden door een tijdsspanne van ongeveer 100 jaar”. Dit klinkt erger dan het is. Ook van Jezus geldt iets dergelijks, zij het dat de evangeliën dichter op zijn dood volgen (30-60 jaar) dan de eerste biografie van Mohammed. Die werd ca. 120 jaar na zijn dood geschreven in Bagdad door Ibn Ishaq. Probeert u maar eens het leven van uw overgrootouders te reconstrueren uitsluitend werkend met mondeling overgeleverde ooggetuigenverslagen. Met één cruciaal verschil: de mondelinge overlevering stond in hoog aanzien in die tijd…

Twee extremen

  1. De traditionele islamitische geschiedschrijvers en rechtsgeleerden waren zich bewust van deze beperkingen. Van ieder verhaal en elke aan Mohammed toegeschreven uitspraak, gingen zij na door wie deze was doorgegeven, en van wie deze persoon het weer had. Qua kritische zin hanteerden zij een andere vuistregel dan de de huidige wetenschap gewoon is te doen. Zij achtten een overlevering ‘waar’ (betrouwbaar), tenzij het tegendeel kan worden bewezen. Aan de betrouwbaarheid van de koran twijfelden ze in het geheel niet.
  2. Een school westerse islamologen pakt het andersom aan: zij accepteren niets als waar, tenzij het kan worden bewezen. Zo wordt de spoeling wel heel dun (deze kritische houding is niet die van de gewone historicus. Die maakt afwegingen). Niet-islamitische bronnen uit die tijd zijn er namelijk niet veel, en de arabische cultuur was toen nog bijna helemaal oraal. Wat is de ‘material evidence’? Er is een Grieks tekstje van rond 640, enkele manuscripten met (delen van) de koran [koolstofdatering van de oudste tot nu toe bekende: ca. 640, wat zeer dicht op de prediking van Mohammed zit, maar over zijn biografie niets zegt], de Sana’a Palimpsest (folio’s waar een latere tekst over een vroegere (uitgekrast) is geschreven), een grafsteen in Cairo met islamitische formules uit 652, een inscriptie uit 692 in de rotskoepel te Jeruzalem waarin enkele verzen uit de koran worden geciteerd (NB: een licht afwijkende versie van de officiële). Hoe de islam ontstond en of Mohammed de enige auteur is van de koran, blijft zuiver wetenschappelijk gezien in nevelen gehuld.

De historische aanpak

De meeste islamologen zitten tussen deze twee extremen in. Zij houden het erop dat bijna nooit onomstotelijk te bewijzen valt wat er precies in het verleden is gebeurd, laat staan dat men de intentie van de handelingen kan achterhalen. Wel kan men met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeggen, dat er iets is gebeurd. In de vroege islamitische literatuur staan uiteenlopende versies van bijvoorbeeld de slag bij Badr. Maar dàt die slag is gevoerd, betwist niemand. Ook hier heeft de Historikerstreit gelijkenis met eenzelfde gevecht dat in de [18e,] 19e en 20e eeuw rond de ‘historische Jezus’ heeft plaatsgevonden. Een overzichtswerk uit revisionistische hoek, dat in de titel en in enkele opstellen ook de link legt naar de bekende studie van Albert Schweitzer, Die Geschichte der Leben Jesu Forschung (1906), is van de hand van Ibn Warraq (ed.), The Quest for the historical Muhammad (2000). De meest extreme posities zijn ingenomen, tot en met de ontkenning dat er ooit een Mohammed/Jezus heeft geleefd (NB: voor de duidelijkheid: beide hebben geleefd, maar vanwaar, wat, hoe, en waartoe… daarover gaan de wegen al snel uiteen). Een echte consensus ontstaat er niet (kan niet), maar de posities convergeren wel naar een soort ‘minimum-biografie’. Zeer respectvol voor de gelovige opvattingen en tegelijk wetenschappelijk is het boek van Rachid Benzine, Le coran explicqué aux enfants (2013, ook in het Nederlands vertaald). Lees hier een interview met de auteur). Iedereen kan over koran, hadith, Mohammed en wat de islam is geworden, meedenken omdat het altijd gaat om het recht-doen aan zoveel mogelijk sporen, indicaties, en gegevens tegelijk, èn in het besef dat het merendeel van de feiten nooit gekend zal zijn. Altijd zal men dus ook andere opties open moeten houden. Historische narratieven blijven ‘constructies’, maar dat geeft niet. De mens zelf (of ‘het zelf van de mens’) is ook een narratief construct, d.w.z. wij ontdekken wie wij zijn door ons levensverhaal te (her-)vertellen, zowel individueel als collectief.