De koran

Koran

Het Arabische woord ‘koran’ betekent ‘dat wat voorgedragen wordt’. De koran is dus eerder een luisterboek dan een leesboek. Voor moslims zijn de woorden in de koran uniek en volmaakt. Ze zijn door de engel Djibriel (Gabriel) aan Mohammed geopenbaard. Volgens de overlevering kon Mohammed zelf niet lezen of schrijven, wat de mededelingen nog wonderbaarlijker maakt. In de begintijd werden de uitspraken  enkel mondeling overgeleverd, d.w.z. gememoriseerd (= sterk ontwikkelde Arabische overleveringsvorm) in het geheugen gegrift van de ‘bewaarders’, zoals men de eerste generatie ‘overleveraars’ noemt.  Vervolgens werden fragmenten op allerlei materialen (perkament, scherven, beenderen etc. ) genoteerd. Later volgde bundeling van wat men de volledige en juiste teksten achtte te zijn.

Moslims hebben veel eerbied voor dit heilige boek. De idee van een hemels oerboek is binnen de islam haast een dogma geworden. De koran is er al van eeuwigheid, ze is pre-existent. Deze opvatting heeft grote gevolgen. Het betekent namelijk dat alle heilige boeken gemeten moeten worden aan dit hemelse oerboek, waarvan de ‘koran’ het wonderbaarlijk afschrift is. Waar zij afwijken, heeft de koran dus altijd gelijk. Een historische lezing (de tora is er eerder en Mohammed bouwt voort op…) is niet toegelaten. De officiële opvatting is dat God voor Mohammed aan vele volkeren dit boek heeft doorgegeven, maar dat die volkeren daarvan wezenlijke onderdelen willens en wetens hebben veranderd (vervalst) of weggelaten zijn. Dit verklaart overeenkomsten en verschillen. Dat Joden en christenen zich niet massaal tot de islam bekeren komt doordat zij vasthouden aan een ‘corrupte versie’ van het oerboek. Daardoor onderkennen ze niet dat de koran volmaakt is.

Christelijke leerstukken, zoals het geloof in de drie-eenheid, de dooden verrijzenis van Jezus, worden in de koran nadrukkelijk als onjuist en godslasterlijk bestempeld. Ze berusten op genoemde bewust vervalsing.

Vertalingen zijn volgens schriftgelovige moslims altijd gebrekkig. Een moslim toont zijn eerbied door zich te reinigen voordat hij de koran aanraakt. Het boek ligt altijd op een ereplaats, bijvoorbeeld boven op een kast, en zeker nooit op de grond. Tijdens het geknield lezen worden vaak speciale lessenaartjes gebruikt. Iedere moslim leert al op jonge leeftijd enkele Arabische teksten van buiten om voor te dragen. Dat voordragen is een kunst; er worden zelfs wedstrijden in gehouden. Ook kalligraferen (schoonschrijven) is tot kunst verheven. Het wetenschappelijk onderzoek van de koran richt zich o.a. op de culturele achtergronden, de lokale tradities, invloeden van jodendom en christendom en op latere bewerkingen. Veel moslims wijzen deze studies af omdat ze vinden dat zo oneerbiedig met Gods woorden wordt omgegaan. Voor hen is de koran niet tot allerlei historische en culturele achtergronden te herleiden.

De koran bestaat uit 114 soera’s (hoofdstukken); eerst de langere en daarna de kortere, met telkens aan het begin een kort lofgebed. Alleen de eerste openingssoera vormt hierop een uitzondering. Alle soera’s, behalve de 9de, beginnen met de formule waarvan de vertaling luidt:  ‘in naam van God, de erbarmer, de barmhartige’. In elke soera is weer een onderverdeling aangebracht. Elk onderdeel heeft een aya (teken, regelnummer of vers). In de traditie worden de soera’s meestal niet aangeduid met het nummer van het hoofdstuk. Elk hoofdstuk draagt een titel die aan een woord uit het begin of aan een kenmerkend onderwerp is ontleend. Vaak wordt boven elke soera de plaats (Mekka of Medina) vermeld, waar de openbaring zou hebben plaatsgevonden en na welke andere soera de betreffende soera is neergedaald. De koran is voor moslims de leidraad voor het godsdienstig en maatschappelijk leven. Het boek bevat ontboezemingen, mededelingen over de leer, preken, profetenverhalen, leefregels en reacties op bepaalde gebeurtenissen.

Met de term koran werd aanvankelijk de vorm aangeduid waarin de openbaring van ‘God’ aan de verschillende culturen: joden, christenen en moslims, was gevat. Pas later werd de term exclusief gereserveerd voor de versie die aan de profeet Mohammed was geopenbaard. Etymologisch zou het woord Koran verband kunnen houden met ikra, reciteer. De, volgens de overlevering, eerste openbaring van Mohammed begon met: ikra bismi rabbika, dit is declameer in de naam van je Heer. Mohammed was bekend met de joodse en christelijke godsdiensten ‘van het boek’ waarbij deze boeken in de eredienst gereciteerd werden. In de islamitische traditie wordt de openbaring opgevat als een doorgeven van goddelijke woorden door de engel Djibriel. Uit de koran zou blijken dat Mohammed aanvankelijk dacht de stem van God zelf te horen; later zag hij in dat dat voor een mens onmogelijk is. Zijn inspiratie was dus voornamelijk auditief; ook had hij enkele visioenen.

In de gelovige traditie wordt de taal waarin de koran gesteld is gezien als de meest zuivere vorm van het Arabisch. Ook de stijl en de vorm zouden van onnavolgbare, want goddelijke schoonheid zijn. Westerse geleerden (arabisten) zijn wat nuchterder en hebben vastgesteld dat het gaat om een taalniveau dat ergens tussen de taal van de toenmalige Arabische dichters en het Mekkaanse dialect in ligt. De tekst van de koran zou volgens de overlevering eerst vooral mondeling bewaard zijn.

Waarschijnlijker is dat bepaalde gedeelten reeds tijdens Mohammeds leven op schrift stonden. Mohammed had volgens de traditie immers een secretaris, Zaid, aan wie hij de openbaringen dicteerde. Na de dood van Mohammed gaf reeds de eerste kalief Abu Bakr opdracht de volledige tekst te verzamelen. De tweede kalief Uthman zou de tekst officieel hebben vastgesteld en daarvan een aantal kopieën hebben gemaakt en in het rijk verspreid. Pas in de negende eeuw (200 jaar na Mohammed) kan er gesproken worden van een alom verspreide, onveranderlijke tekst (vgl. de canonvorming bij de christenen). Omdat in het Arabisch klinkers niet worden weergegeven en vele medeklinkers op elkaar lijken, bleef er ook toen nog onenigheid over de juiste wijze van reciteren. Een sympathieke oplossing hiervoor was het officieel afkondigen in de tiende eeuw dat er niet één, maar zeven juiste manieren zijn. Geleidelijk aan werden klinkers en andere tekens toegevoegd (vgl. de manier waarop de Hebreeuwse tekst van de bijbel is gevocaliseerd). Tegenwoordig zijn er nog maar twee versies in zwang: die van Afrika [behalve Egypte] en die van de overige moslimlanden. De officiële Egyptische overheidsuitgave (oorspronkelijk 1924) geldt tegenwoordig overal als standaarduitgave.

Aan de officiële tekst van Uthman danken we de indeling in soera’s (letterlijk voorschrift). De teksten zijn niet chronologisch naar moment van openbaring geordend, maar naar lengte. Het is niet te achterhalen waarom bepaalde openbaringen tot een soera werden samengevoegd, al lijken factoren als stijlvorm, rijm en inhoudelijke overeenkomst een rol gespeeld te hebben. Elke soera is onderverdeeld in verzen of aya’s, wat letterlijk teken of wonder betekent. Binnen de Koran zijn deze soera’s naar hun lengte op volgorde gezet, met de langste vooraan.

De kwestie van de chronologie van de openbaringen is naast interessant voor de ontwikkeling van de leer ook van praktisch belang, omdat voor bepaalde situaties verschillende en deels strijdige voorschriften gelden; de laatst geopenbaarde zou dan de nu geldende zijn. Moslimgeleerden hebben een volgorde van de soera’s vastgesteld, die in genoemde Egyptische uitgave is weergegeven. Westerse geleerden hebben met dezelfde historische en taalkundige methoden als waarmee de Bijbel is bestudeerd diezelfde kwestie bekeken. Zij onderscheiden drie Mekkaanse perioden, vroeg, middel en laat, en een Medinische. Voor de vroege perioden zijn met name geëxalteerdheid, levendige beelden, en korte ritmische verzen kenmerkend. In de middenperiode wordt de leer duidelijker en meer in preekvorm uiteengezet en in de latere perioden worden meer en meer voorschriften en leefregels gegeven. Meer recente, gedetailleerde tekststudies nuanceren dat beeld nog verder.

Voor meer info: kijk in het menu…