Een keten van overleveraars (isnâd)

Wim Raven, ‘Oude Arabische levensbeschrijvingen’ , Maatstaf 38 (1990), p. 145-149 – redactioneel ingekort door Dick Wursten

De bloeitijd van de klassieke Arabische levensbeschrijving loopt van 700-1500, met het hoogtepunt meteen al aan het begin: De biografie van Mohammed. Moslim zijn betekent voor een aanzienlijk deel: de Profeet navolgen, de belangrijkste mens die ooit geleefd heeft. Dat er volgens niet-moslimse onderzoekers vrijwel niets ‘feitelijks’ over diens leven bekend is en zijn biografie dus tot het rijk der fictie behoort, doet voor moslims niet terzake. De koran levert nauwelijks informatie op over het leven van de Proeet. Het maakt deel uit van de boodschap (hij is ‘de Boodschapper’), maar is niet het onderwerp van dat boek zoals Jezus dat is van de evangeliën.

Het vertellen over de Profeet is na zijn dood spontaan op gang gekomen, en de lust daartoe zal in de tweede helft van de zevende eeuw nog zijn aangewakkerd doordat de moslims in contact kwamen met christenen en joden in de gebieden die zij veroverd hadden: Syrië, Mesopotamië en Perzië. Een bekende (tevens de oudste) verzameling van deze verhalen is het Leven van Mohammed door Ibn Ishâq (704-767). Aan een willekeurig fragmentje zijn enige eigenschappen daarvan goed toe te lichten:

“Al-Zuhri heeft mij verteld dat hij gehoord heeft van Urwa ibn Zubayr, en aan hem was het verteld door A’isha: Toen Allah Mohammed wilde eren en door hem de mensheid ontferming wilde betonen, was het eerste waarmee het profeetschap zich aan hem manifesteerde het ware visioen. Als de Profeet een visioen had in zijn slaap was dat altijd zo helder als de dageraad. En Allah gaf hem een hang naar eenzaamheid; hij was het liefst alleen.”

Isnâd

Het eerste dat opvalt is de opsomming van persoonsnamen aan het begin. Dit is de isnâd, de ‘keten van overleveraars’, en die hoort er echt bij: a hoorde van b dat deze van c had vernomen dat de Profeet… (volgt inhoud). Natuurlijk kan het aantal overleveraars groter zijn dan drie, en dezelfde tekst kan ook met een andere isnâd zijn overgeleverd. Het ‘horen’ is belangrijk: hoewel er zeker ook geschreven werd, zelfs in de oudste tijd, hechtte men veel waarde aan mondelinge overdracht. Sinds ongeveer een eeuw na Mohammeds dood gold geen oude tekst als compleet zonder zo’n overleveringsketen waardoor, als het een goede was, bewezen werd geacht dat de inhoud werkelijk terugging op de Profeet.

Na de isnâd volgt wat simpelweg ‘de tekst’ genoemd wordt: een stukje verhalend proza. Die tekst gaat over een handeling of uitspraak van de Profeet, of een gebeurtenis uit diens leven. De kortheid, het fragmentarische is typisch, niet alleen voor de profetenbiografie, maar voor al het oude proza. Een tekst telt soms maar enkele regels; lang is hij al wanneer hij enkele bladzijden beslaat. Ibn Ishaqs biografie, die duizend bladzijden telt, bestaat dan ook niet uit een doorlopend verhaal, maar uit een verzameling korte stukken.

De aangehaalde, wel érg korte tekst bevat slechts één detail uit het leven van de Profeet. Behalve dat ene feit deelt deze tekst ook algemene trekken van Mohammed mee, die behoren tot de kenmerken van het profeetschap: hij is graag alleen, en hij droomt niet gewoon, maar krijgt heel bijzondere gezichten. Dit laatste is een uitwerking van enige koranverzen, waarin over visioenen gerept werd, bijvoorbeeld: ‘Allah heeft voor zijn boodschapper het visioen werkelijk waar gemaakt…’ (48:27). De verteller had die verzen in zijn hoofd en heeft ze geconcretiseerd tot ‘het’ visioen, dat hij vervolgens een plaats heeft gegeven in Mohammeds leven. Andere vertellers gebruiken dezelfde verzen weer anders en plaatsen het visioen elders in zijn leven, of ze gaan uit van meer dan één visioen.

De meeste stukken waaruit het Leven van Mohammed is samengesteld hebben dus die isnâd gemeen en hun kortheid. De inhoud is uiteraard variabel, maar dikwijls komt er een ‘kenmerk van het profeetschap’ aan de orde, en ook het uitwerken van koranische thematiek is frequent. Men borduurde voort op een vers of begrip uit de koran, ongeveer zoals de joodse midrasj dat deed met de Joodse bijbel.

genre 1: aanleiding tot de openbaring

Een ondersoort van koranisch geïnspireerde tekst is het ‘aanleiding-tot-de-openbaring’-verhaal. Daarin wordt van een bepaald koranvers verteld op welk moment in Mohammeds leven het is geopenbaard, en waarom. Ook het verhaal over de Duivelsverzen is van dit type.1 Eerst was er het koranvers 22: 52: ‘Wij hebben vóór uw tijd geen boodschapper of profeet gezonden zonder dat de Satan hem, wanneer hij iets wenste, iets volgens zijn wens had ingegeven. Maar Allah schaft af wat de Satan ingeeft en dan stelt Allah Zijn verzen vast […].’ De vertellers en uitleggers moesten wat met dit vers en hebben er het verhaal over Mohammeds tijdelijke aanvaarding van enkele satanische verzen omheen geweven. Het verhaal suggereert, als altijd in zulke gevallen, dat het vers werd geopenbaard naar aanleiding van het incident. In werkelijkheid was er eerst het vers, en daarna het verhaal. Ook elders in het Leven is een aardige trek dat Mohammed soms als enigszins te kort schietend wordt getoond. Zo kon hij tijdens een veldslag niet zelf op een rotsje klimmen omdat hij te zwaar en te stijf was: twee manschappen moesten hem een kontje geven. Bij een andere gelegenheid werd een strategisch voorstel van hem verbeterd door iemand in zijn omgeving. De vroegste islamitische vertellers waren niet bang voor fictie, ook niet wanneer die een volgens moderne hagiografen ongunstig beeld opriep van Mohammed. Integendeel, soms lijken zij er juist opuit te zijn, het menselijke, feilbare van hun Profeet te benadrukken. De goddelijke genade komt daardoor des te beter uit.

genre 2: bijzondere bescherming

Andere verhalen willen laten zien dat de Profeet door Allah voor de zonde werd beschermd. Naarmate de tijd verstreek werd het moment waarop die bescherming intrad geleidelijk vervroegd van de eerste openbaring naar de vroegste jeugd. Zo maakten en vervolmaakten de biografen hun Profeet. Er is natuurlijk een theologische noodzaak: wie de openbaring ontvangt kan geen zonde gehad hebben, wie het monotheïsme predikt kan nooit heiden geweest zijn. Maar er was nog een andere noodzaak. Mohammed mocht, in de ogen van de gelovigen, niet achterblijven bij Mozes en Jezus. De joodse en christelijke ‘profeten’ speelden een belangrijke rol als model voor de profeet van de islam, zoals al bleek bij het koranvers over de duivelsverzen. Ettelijke ‘kenmerken van het profeetschap’ zijn aan hen ontleend, en waarschijnlijk ook wel aan de christelijke heiligen.

De vroegste verhalen over de Profeet geven blijk van een grote lust in het vertellen zelf. Zij zijn spannend, stichtend en amusant tegelijk – die functies waren toen nog niet gescheiden. Met de koran als basis beoogden zij de Profeet een vastere plaats te geven in het nieuwe geloof, en de gemeenschap ten opzichte van andere religies te sterken.

Hadith (tradities)

Een vertelvorm met een wat beperkter doel wordt gevormd door de ‘Tradities’ (hadîth). Iedere tekst over de Profeet waar een isnâd voor staat kun je een Traditie noemen, maar Tradities in engere zin dienden om de sunna vast te leggen, het totaal der handelingen en uitspraken van de Profeet, die de basis zijn geworden van de geloofsbeleving en van de islamitische wet. Een voorbeeld (met weglating van de isnâd):

‘De keizer van Byzantium schonk de Profeet een kostbaar gewaad van zijde. Deze trok het aan, en het kwam mij voor dat ik zijn handen zag trillen. Toen stuurde hij het naar Dja’far; ook hij trok het aan en kwam ermee naar de Profeet. Maar die zei: “Ik heb het je niet gegeven om te dragen; stuur het maar aan je vriend de Negus [van Ethiopië].”’

Werpt deze tekst een interessant licht op Mohammeds internationale betrekkingen? Helaas voor de historici: neen! Het is de neerslag van een discussie, een eeuw later, over het al dan niet geoorloofd zijn van kostbare kleding. Dat zo’n gewaad als niet-islamitisch werd beschouwd blijkt uit de schenker en de geadresseerde: christenen, buitenlanders, laten die zulke rommel maar dragen. De Profeet treedt hier, postuum, op om een standpunt van de schriftgeleerden gezag te verlenen.

Zoals deze zijn er duizenden Tradities, over alle denkbare onderwerpen uit het gefingeerde dagelijks leven van de Profeet. Al zijn het vaak verhaaltjes, ze zijn niet gemaakt om te vertellen, maar willen een bepaald punt van het juiste gedrag belichten. Het biografische is hier slechts vermomming. Tradities zijn verzameld in talloze enorme werken, overwegend uit de achtste en negende eeuw: de Sahihs en de Sunan-boeken.

Meerdere versies

Boeiend in zowel de profetenbiografie als de Traditieverzamelingen is dat zij over vele stukjes ‘leven’ dikwijls een tekst overleveren in twee of meer versies die niet met elkaar te rijmen of zelfs strijdig zijn. De verzamelaar heeft dan niet willen kiezen en besluit soms met de woorden: ‘Allah weet het het beste.’ Dit is een sympathieke trek van de Arabische wetenschappers; zij pretendeerden niet dat zij de waarheid in pacht hadden, en de lezer mag er het zijne van denken. Vergeleken met de duisternis waarin de Europese christenheid toen rondtastte was die houding een toonbeeld van verlichting.

Met de teksten over de Profeet zijn al een paar flinke kasten te vullen, maar er is veel meer. Zonder twijfel werden al vóór de islam levensverhalen zorgvuldig mondeling overgeleverd. Het leven in stamverband vereiste haast een genealogische belangstelling. De herinnering aan krijgsverrichtingen en roemrijke daden werd levend gehouden in poëzie en ook wel in verhalen. Een vijand of rivaal kon, met dezelfde middelen, trachten afbreuk te doen aan iemands roem, door bijvoorbeeld een venijnig scheldgedicht of een concurrerend verhaal de wereld in te sturen. In de islam ging dat gewoon door, al kreeg de roem een ander karakter.

In de begintijd was er ook een administratieve reden om levens te beschrijven. Door de veroveringen van de Arabieren raakte de kas goed gevuld. De vroegste bekeerlingen, de eerste emigranten naar Medina, degenen die hadden deelgenomen aan de slag bij Badr of aan latere slagen, en hun nakomelingen, stonden hoog genoteerd in de registers van de eregelden en uitkeringen, evenals de vrouwen en naaste familieleden van de Profeet. De in de registers voorkomende gegevens moesten kloppen en er zal dus driftig informatie zijn verzameld bij en over de betrokkenen. ‘Bijstandsfraude’ kwam ook voor: er waren mensen die hun eigen verrichtingen, of die van hun vader gunstiger afschilderden om een grotere uitkering te krijgen.

Van de levens van de ‘Gezellen’ van de Profeet werd dus veel werk gemaakt. Zij vormden de islamitische elite. De gelovigen vertelden over hen uit eerbied en historische belangstelling. De Gezellen hadden natuurlijk ook hun eigen familieoverlevering hoog te houden. Toen het ‘Traditie’-wezen eenmaal op gang was gekomen kregen zij nog een extra belang: zij zijn immers, per definitie, de laatste schakel vóór de Profeet in iedere goede isnâd: zij hadden Mohammed horen spreken en zien handelen en waren dus de autoriteiten over het zo belangrijke leven van Mohammed. Omstreeks 800 was er al een kloek lexicon over de Gezellen, keurig naar categorieën gerangschikt, en andere volgden. Ook hierin wordt de stof in kleine stukjes en met isnâd gepresenteerd.

Het leven van Aisha

A’isha was de lievelingsvrouw van Mohammed. Zij heeft de Profeet lang overleefd en heeft een rol gespeeld in de politiek. Alleen al daarom heeft zij de aandacht getrokken van de vertellers. Maar ook in Tradities komt zij vaak voor, en dat is begrijpelijk. Wanneer men de Profeet een handeling of uitspraak uit de huiselijke of intieme sfeer wilde toedichten, hoe kon men die authentieker doen schijnen dan door A’isha als bron te nemen? Vele verhalen over A’isha zijn in het Engels bewerkt door Nabia Abbot, Aishah: The Beloved of Mohammed. University of Chicago, 1942. Al is zij zo naïef, de verhalen voor historisch betrouwbaar te houden, haar boek vormt aardige lectuur. En wie zal zich bekommeren om de historiciteit van het volgende stukje, quasi door A’isha zelf uitgesproken?

‘De Profeet was met mij getrouwd op mijn zesde jaar. Toen wij in Medina waren aangekomen was ik een maand lang zwak, en mijn haar hing los tot op mijn schouders. Mijn moeder kwam naar mij toe terwijl ik op de schommel aan het spelen was met mijn vriendinnetjes. Ze riep iets naar me en ik liep op haar af, zonder dat ik wist wat zij wilde. Ze pakte me bij de hand en liet me even bij de deur staan tot mijn ademhaling weer rustig geworden was, want ik hijgde helemaal. Toen haalde ze een beetje water en ging daarmee over mijn gezicht en mijn hoofd. Daarna bracht ze me naar binnen, en in de kamer trof ik vrouwen […] aan die mij feliciteerden en alle goeds toewensten. Bij hen werd ik achtergelaten; zij wasten mijn haar en maakten mij in orde. (De Profeet heeft mij nooit [onopgemaakt] verrast, behalve een keer heel vroeg in de ochtend.) Toen gaf mijn moeder mij aan hem over; ik was toen negen jaar.’

Ook deze tekst zal wel complexe politieke of juridische bestaansredenen hebben, maar hij is ook te lezen als een ontroerende kleine vertelling. Het is dat frisse, uit het (pseudo-) leven gegrepene, dat Arabische biografische schetsen vaak zo aantrekkelijk maakt.

De ‘Levens’ van de gezellen etc.

Een volgende aansporing tot het beschrijven van levens ging uit van het Traditiewezen zelf. Het was nodig, ‘de mannen te kennen’, de mannen namelijk – en de enkele vrouwen – die voorkwamen in de isnâds. De isnâd mag aanvankelijk het ideale middel geschenen hebben om de echtheid van de Tradities te waarborgen, al spoedig bleek dat misbruik heel gemakkelijk was. Het was niet moeilijk te beweren dat je grootvader ene Abdallah gekend had die de Profeet zelf nog had meegemaakt. Daarom ontstond er een kritische bestudering van de personen die genoemd werden in de isnâd.
– Had a wel echt zijn tekst gehoord van b?
– b was toch allang dood toen a in de stad aankwam?
– En overleveraar c stond bekend als onbetrouwbaar en leed bovendien op latere leeftijd aan geheugenzwakte.
Voor de kritische moslims uit de achtste, negende eeuw zat er dus niets anders op dan van álle Tradities álle overleveraars na te trekken. Dat resulteerde in duizenden, ja tienduizenden levensberichten, die verzameld zijn in talloze gespecialiseerde biografische lexica van overleveraars, die ook weer enkele kasten vullen. Behalve voor een handjevol specialisten zijn ze ontzettend saai. De levens worden alleen beschreven met het oog op hun waarde voor de isnâd-kritiek: van wie leverde x over, wie leverde van hem over, wat was zijn reputatie.

Deze lexica vormen nu een monument van vergeefsheid. Isnâd-kritiek heeft namelijk niet verhinderd dat er valse overleveringen ontstonden; integendeel, juist wie bedreven was in de ‘mannenkunde’ kon de perfecte isnâd vervalsen, die geheel vrij was van naïeve fouten als boven aangeduid. Een enkele keer schemerde er bij de verzamelaars het besef dat zij met fictie bezig waren. Van sommige overleveraars wordt opgemerkt dat zij niet hebben bestaan; dat was echter geen reden om hun een artikeltje te onthouden.

Al spoedig wist men van geen ophouden meer. Eeuwenlang zijn Arabische en ook andere moslims doorgegaan, encyclopedieën vol te schrijven met ‘levens’ van ministers, gouverneurs, rechters, koranlezers, artsen, dichters, zangers, juristen of andere bekende tijdgenoten. Dozijnen Who-is who-achtige werken hebben zij geproduceerd, die zich vaak specialiseren in een bepaalde stad of eeuw; andere behandelen juist weer alle beroemde moslims door de eeuwen heen. Hier en daar wist men van gekkigheid niet meer, wat te verzinnen: zo is er een lexicon van mensen die heel oud geworden zijn, en een ander van alle dichters die Mohammed heetten. Een forse studiezaal kan met al deze werken gevuld worden. Vrouwenlevens zijn in de minderheid: één vrouw op tien, twaalf mannen, dat is voor de oudste tijd ongeveer de verhouding. De vrouwen zijn niet tussen de mannen vermeld, maar staan bij elkaar, achter in het werk. Sommige moderne uitgevers hebben zelfs aparte indexen gemaakt over mannen en vrouwen.

De lexica vormen niet bepaald toegankelijke lectuur. Om de geïnteresseerde lezer op weg te helpen volgen hier wat titels van vertalingen:

  • Ibn Ishaq, The life of Muhammad. A translation of Ibn Ishâq’s Sîrat Rasûl Allâh. Oxford 1955. – Volledige vertaling.
  • Ibn Ishaq, Het leven van Mohammed. De oudste Arabische verhalen. Vertaald en toegelicht door Wim Raven. Amsterdam (Meulenhoff) 1980. – Bloemlezing.
  • Nabia Abbot, Aishah. The beloved of Muhammad (1942). Tweede druk, London (Al Saqi) 1985. – De teksten zijn zelden letterlijk vertaald, veeleer bewerkt tot een ‘moderne’ biografie. Op de website van the University of Chicago is het boek downloadbaar als pdf.
  • Ibn Khallikân: Ibn Khallikan’s Biographical Dictionary. Translated from the Arabic by Bn. Mac Guckin de Slane. 4 Vols. Paris 1842-3 (herdruk Beiroet, Librairie du Liban, 1970). – Vertaling van een dertiende-eeuws lexicon van beroemde moslims.
  • Hartmut E. Fahndrich, ‘The Wafayât al-A’yân of Ibn Khallikân: a new approach’, in: Journal of the American Oriental Society 93 (1973), p. 432-445. – Een artikel over het voorafgaande werk.
  1. Hier verschil ik van mening met de auteur. Het is niet waarschijnlijk dat men een dergelijk belastend verhaal over de Profeet zou hebben verzonnen, als men daartoe niet door externe evidentie (bijv. hardnekkigheid van de overlevering) zou zijn gedwongen. De verdere inkleuring van de context van de duivelsverzen past weer wel bij deze theorie. Dick Wursten