De duivelsverzen

De ‘duivelsverzen’ zijn vooral bekend vanwege de roman van Salman Rushdie uit 1988 met dezelfde titel (The satanic verses) en de daaropvolgende ‘fatwa’ vanuit Iran.1 De naam verwijst naar een apocriefe openbaring (verbonden met soera 53) die door Iblis (satan, de duivel) aan Mohammed zou zijn ingefluisterd. Vandaar de naam: duivelsverzen. Volgens de overlevering zouden ze gevolgd zijn op de vraag die in soera 53,19-20 wordt gesteld:

“Hoe zien jullie Al-Laat, Al-‘Oezza,
en Manaat, de derde, de andere?”

soera 53, 19,20

De namen hier genoemd zijn de namen van drie engelen/godinnen die in Mekka werden vereerd.2 Het duivelsvers zou dan de volgende uitspraak zijn:

-“Dit zijn de hoogverheven ‘gharânîqu’ (kraanvogels of zwanen),
en men mag op hun voorspraak hopen.”

duivelsvers, volgend op soera 53,20 (niet in de koran)

Dit vers zou Mohammed hebben gereciteerd als antwoord op de vraag, omdat hij dacht dat dit inzicht van God/Allah kwam. De duivel had zich blijkbaar voorgedaan als ‘een engel des lichts’, i.c. de engel Gabriël. Kort daarop zou Mohammed dit vers echter al herroepen hebben omdat Gabriël hem duidelijk had gemaakt, dat niet hij maar Iblis (de duivel) hem deze woorden had ingefluisterd. Zij werden dan vervangen door de huidige koranverzen, volgend op 53,20:

-“Zouden jullie dan de mannelijke kinderen hebben
en zou Hij dan vrouwelijke hebben?
Dat zou een onrechtvaardige verdeling zijn.
Het zijn slechts namen
die jullie en jullie vaderen aan haar hebben gegeven
en waarvoor God/Allah geen enkele machtiging had neergezonden.
Jullie volgen slechts vermoedens
en wat jullie zelf graag willen,
hoewel van jullie Heer de rechte leiding is gekomen.”

soera 53, 21-23

De legende wordt niet betwist

De overlevering over de duivelsverzen wordt op zich niet betwist. De verzen bestaan en de legende is oud. Het verhaal is in het kort na te lezen in de biografie van Ibn Sa’d (Kitab Tabaqat Al-Kubra, deel 1 – hier de tekst in het Engels)- een compendium van biografiën van de grote mannen van de islam, geschreven in de eerste helft van 9de eeuw. Verder wordt het in geuren en kleuren verteld door Al-Tabari (Tarikh al-Rusul wa al-Muluk: (Geschiedenis van de Profeten en de koningen) vol. 6, sectie 1191-1193, hier de tekst in het Engels), samengesteld in de tweede helft van de 9de eeuw. Opvallend is dat het in de biografie van Ibn Ishaq ontbreekt. Je zou het daar verwachten in sectie 239. NB: in de meeste edities tref je het daar ook aan, maar dat is dan een invoeging conform het verhaal van Al-Tabari (een ‘T’ in de kantlijn), die zelf overigens ook toegang had tot studenten van Ibn Ishaq en hun verhalen/nota’s. Het is nuttig zich te realiseren dat er geen originele versie van Ibn Ishaq’s biografie is bewaard – als die er al ooit is geweest in de zin dat de auteur die zelf op schrift heeft gesteld. We kennen zijn verhalen over de profeet enkel uit verspreide dictaten van losse verhalen die door zijn Ishaq’s studenten zijn opgeschreven. En dan eigenlijk heel vaak nog uit de derde hand ook, d.w.z. zoals één van hun toehoorders het heeft opgeschreven.3

Afwezig in Ibn Ishaq’s biografie

In de meest bekende versie van Ibn Ishaq’s biografie (redactie Ibn Hisham) staat enkel de aanloop beschreven: een ontmoeting met Mekkaanse kooplui die religieuze toenadering zoeken, waarop een scherpe afwijzende reactie van Mohammed volgt (Mohammed’s antwoord is soera 109). De redacteur van deze editie, Ibn Hisham (eerste helft 9de eeuw) zou de passage gesupprimeerd kunnen hebben, omdat Mohammed al als quasi heilig werd aanzien door velen, en sommige moslims er misschien door zouden worden geshockeerd. Hij zegt dat trouwens met zoveel woorden in zijn inleiding).4 In de latere overlevering wordt er niet echt moeilijk over gedaan, omdat er ook een overtuigende verklaring wordt bij gegeven van hoe Mohammed zich zo kon vergissen. En – nog mooier – dat zelfs die (mogelijkheid tot) vergissing al voorzien was in een andere soera (zie onder). Tegelijk wordt er wel getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de overlevering, omdat de isnad niet tot een ooggetuige teruggaat.

Veronderstelde achtergrond van de duivelsverzen

We lezen bij Al-Tabari (Geschiedenis van de Profeten en de Koningen vol. 6, 1192) het volgende verhaal – kort samengevat – de volledige tekst in het Engels 5)
“Toen de Profeet zag dat het volk van Mekka hem de rug toekeerde en zijn van God ontvangen boodschap hen koud liet, verlangde de profeet naar een boodschap van God, waardoor hij zich kon verzoenen met de Mekkanen. Hij hoopte dat de hindernis die tussen hem en de Mekkanen stond zo kon worden weggenomen. Daarop zou dan soera 53 ter sprake zijn gekomen (m.n. het vers “Wat vind je van die 3 godinnen/engelen?”) en zou Mohammed het duivelsvers hebben ontvangen. Toen de leden van de leidende families in Mekka dit hoorden, waren ze verheugd over de manier waarop de Profeet over hun godinnen sprak. Hierop kwam Gabriël bij Mohammed en zei dat hij woorden had gesproken die niet van God afkomstig waren. De Profeet werd zeer verdrietig en bang. Als troost liet God hem weten dat alle profeten vóór hem ook wensen en verlangens hadden, die vervolgens door de duivel op hun tong werden gelegd. Daarom werd ook het volgende vers nedergezonden:

“En Wij hebben voor jouw tijd geen gezant of profeet gezonden
zonder dat de satan hem,
wanneer hij iets wenste,
iets [om] volgens zijn wens [voor te lezen] had ingegeven.
Maar God maakt alles ongedaan
wat de satan ingeeft
en stelt Zijn tekenen [ayat, verzen] eenduidig vast.
God is wijs en wetend.”

soera 22,52

De betrokken ‘duivelse openbaring’ zou aan Mohammed ingegeven zijn geweest in de hoop – door de drie heidense godinnen te aanvaarden – de steun van een politiek belangrijke stam te kunnen verwerven. Zo bezien zou je het verhaal van de duivelsverzen ook omgekeerd kunnen lezen. Dat wil zeggen als een soort midrash (toelichtende, invullende vertelling bij een heilige tekst) bij soera 22,52, waarbij de verteller gebruik heeft gemaakt van soera 53 om die te stofferen.

Dick Wursten


  1. In dit boek gaat de auteur op een vrijmoedige wijze aan de haal met het traditonele verhaal. Het onderwerp van de roman is niet de waarheid/onwaarheid van deze verzen, maar de tegenstellingen tussen de manier waarop mensen in het (Midden-)Oosten het leven ervaren en hoe dat botst met het levensgevoel in het Westen. Het gaat over de tegenstelling tussen materialistisch rationalistisch leven (Westen) versus je laten meenemen in het het religieuze verhaal (Oosten). Rushdie heeft sympathie voor het laatste. De vrije manier waarop hij met de traditie en met de persoon van de profeet omgaat heeft hem een fatwa van ayatollah Khomeiny opgeleverd, waarna hij jarenlang ondergedoken heeft geleefd.
  2. Dit is niet echt zeker, omdat deze namen enkel bekend zijn uit deze soera en latere moslim-tradities. De context in soera 53 suggereert beschermengel-achtige wezens. In 26-28 worden engelen genoemd met vrouwennamen en op wier voorspraak men rekent. Het duivelsvers kan ook verklaard worden als een verzinsel gebaseerd op precies die informatie.
  3. Zie hiervoor de scherpzinnige analyses van Patricia Crone, Meccan Trade and the Rise of Islam, 1973 p. 203-230, i.h.b. p. 223. Zij komt door vergelijkend onderzoek tot de conclusie dat de vermelding van precieze datering/locaties/aanleidingen vaak uit een latere bron stamt. Zo vermeldt bijv. de oer-bron Ibn Ishaq enkel een anecdote (zonder tijd/plaats), een tweede vermeldt dan de exacte datum en plaats, terwijl een derde alles invult wat een groep luisteraars nog meer zou willen weten omtrent het gebeuren, zonder dat ze nieuwe bronnen naast Ibn Ishaq vermelden.
  4. “Things which it is disgraceful to discuss; matters which would distress certain people; and such reports as Al Bakka’i told me he could not accept as trustworthy—all these things have I omitted.” (English translation by A. Guillaume, p. 691). Al-Bakka’i is de student van Ibn Ishaq op wiens aantekeningen Ibn Hisham zijn Sira heeft gebaseerd.
  5. History of Prophets and Kings, 1192 ff