De duivelsverzen

De ‘duivelsverzen’ zijn vooral bekend vanwege de roman van Salman Rushdie met dezelfde titel.[1] De naam verwijst naar apocriefe openbaringen (verbonden met soera 53) die door Iblis (de duivel) aan Mohammed zouden zijn ingefluisterd. Vandaar de naam ‘duivels’-verzen. Volgens de overlevering zouden ze gevolgd zijn op de vraag die in soera 53,19-20 wordt gesteld:

“Hoe zien jullie Al-Laat, Al-‘Oezza, en Manaat, de derde, de andere?”

soera 53, 19,20

De namen hier genoemd zijn de namen van drie godinnen die in Mekka werden vereerd. Het duivelsvers zou dan devolgende spreuk zijn:

-“Dit zijn de hoogverheven ‘gharânîqu’ (kraanvogels of zwanen) en men mag op hun voorspraak hopen.”

duivelsvers, volgend op soera 53,20 (niet in de koran)

Dit vers zou Mohammed hebben gereciteerd als antwoord omdat hij dacht dat ook deze openbaring van God/Allah kwam (De duivel had zich voorgedaan als de engel Gabriël), maar enige tijd later zou Mohammed dit vers herroepen hebben omdat hij van Gabriël te horen kreeg, dat niet hij maar Iblis (de duivel) hem deze woorden in de mond had gelegd. Zij werden dan vervangen door de huidige koranverzen, volgend op 53,20:

-“Zouden jullie dan de mannelijke kinderen hebben en zou Hij dan vrouwelijke hebben? Dat zou een onrechtvaardige verdeling zijn. Het zijn slechts namen die jullie en jullie vaderen aan haar hebben gegeven en waarvoor God/Allah geen enkele machtiging had neergezonden. Jullie volgen slechts vermoedens en wat jullie zelf graag willen, hoewel van jullie Heer de rechte leiding is gekomen.”

soera 53, 21-23

De overlevering over de duivelsverzen wordt op zich niet betwist. D.w.z. ze bestaan. En zelfs in meerdere varianten. Het verhaal wordt verteld door Ibn Ishaaq (704-770) de gezaghebbende eerste biograaf van Mohammed en komt ook voor in het eveneens gezaghebbende korancommentaar van Tabari (1192-95) bij deze soera. In beide gevallen is er ook een verklaring voor het ontstaan van deze overlevering.

De achtergrond van de duivelsverzen

Zo lezen we hetvolgende: “Toen de Profeet zag dat het volk van Mekka hem de rug toekeerde en zijn van God ontvangen boodschap hen koud liet, verlangde de profeet naar een boodschap van God, waardoor hij zich kon verzoenen met de Mekkanen. Hij hoopte dat de hindernis die tussen hem en de Mekkanen stond zo kon worden weggenomen. Daarop zou soera 53 (inclusief het duivelsvers) tot hem gekomen zijn. Toen de leden van de leidende families in Mekka dit hoorden, waren ze verheugd over de manier waarop de Profeet over hun godinnen sprak. Hierop kwam Gabriël bij Mohammed en zei dat hij woorden had gesproken die niet van God afkomstig waren. De Profeet werd zeer verdrietig en bang. Als troost liet God hem weten dat alle profeten vóór hem ook wensen en verlangens hadden, die vervolgens door de duivel op hun tong werden gelegd. Daarom werd ook het volgende vers nedergezonden:

“En Wij hebben voor jouw tijd geen gezant of profeet gezonden zonder dat de satan hem, wanneer hij iets wenste, iets [om] volgens zijn wens [voor te lezen] had ingegeven. Maar God maakt alles ongedaan wat de satan ingeeft en stelt Zijn tekenen [verzen] eenduidig vast. God is wijs en wetend.”

soera 22,52

De betrokken ‘duivelse openbaring’ zou aan Mohammed ingegeven zijn geweest in de hoop – door de drie heidense godinnen te aanvaarden – de steun van een politiek belangrijke stam te kunnen verwerven.

Zo bezien zou je het verhaal van de duivelsverzen ook omgekeerd kunnen lezen. Dat wil zeggen als een soort midrasj (toelichtende, invullende vertelling bij een heilige tekst) bij soera 22,52.


[1] De duivelsverzen is de titel van een roman van Salman Rushdie uit 1988. In dit boek gaat de auteur op een heel vrijmoedige wijze aan de haal met het traditonele verhaal. Het echte onderwerp van de roman is echter niet de waarheid/onwaarheid van deze verzen, maar de tegenstellingen tussen de manier waarop mensen in het (Midden-)Oosten het leven ervaren en hoe dat botst met het leven in de rationalistische Westerse wereld. Daarbij komt ook de tegenstelling aan bod tussen aards, materialistisch leven versus je laten meenemen in het het religieuze verhaal. Rushdie heeft duidelijk sympathie voor het laatste. De vrije manier waarop hij echter met de traditie en met de persoon van de profeet omgaat, heeft hem een fatwa opgeleverd.