‘In de godsdienst is geen dwang’ ? (over tolerantie, geweld en abrogatie)

De twee verzen die de discussie over islam en geweld het meest bepalen zijn a. het vers dat zegt dat er ‘geen dwang is in de godsdienst’ (2.256) en b. het vers waarin gezegd wordt dat je ‘tegen hen die niet in God geloven moet strijden’ (9:29), en in bepaalde gevallen ook ‘met het zwaard’ (9:5). Vanzelfsprekend hebben deze teksten allebei hun eigen context. De eerste past in de context waarin Mohammed nog niet zo lang uit Mekka is gevlucht/verdreven (Hidjra) en in Medina is aangekomen. Hij is op zoek naar bondgenoten en nog niet de strijdvaardige Mohammed van de tweede helft van zijn leven. De verzen uit soera 9 dateren uit de laatste periode in Medina, dat wil zeggen uit de tijd dat Mohammed zijn belangrijkste vijanden al verslagen heeft. Hij is nu zelf ‘in power’ en zal tegenstand in de kiem smoren.

De vraag die zich bij de combinatie van beide verzen opdringt (en deze vraag heeft z’n gevolgen voor de ‘tweede contextualisering’: wat doe ik nu met deze teksten?). Hoe verzoen je die met elkaar? En: is het principe van de abrogatie hier van toepassing? Dat is een uitleggingsprincipe in de koranexegese, waarbij een latere openbaring een eerdere opheft. Dus: wordt koranvers 2:256, ‘Er is geen dwang in de godsdienst’ opgeheven als gebod door de latere openbaring (met name soera 9:29 en 9:5 over de ‘strijd’ en het ‘zwaard’) ? Over de beide verzen iets, over hun context en over de al-dan-niet abrogatie.

De tekst van 2.256

In de meest recente (Leemhuis-)vertaling luidt soera 2.256 alsvolgt (ik geef ook 2.257 mee, voor de nodige context)

In de godsdienst is geen dwang. Redelijk inzicht is duidelijk onderscheiden van verdorvenheid. Wie dan geen geloof hecht aan de Taghoet [zij die de grens overschrijden, d.w.z. iets/iemand aanbidden buiten Allah] maar gelooft in Allah, die houdt de stevigste handgreep vast, die niet afbreekt. En Allah is horend en wetend.  [2.257] Allah is de beschermer van hen die geloven: Hij brengt hen uit de duisternis naar het licht. Maar zij die ongelovig zijn, hun bondgenoten zijn de Taghoet: zij brengen hen uit het licht naar de duisternis. Zij zijn het die in het vuur thuishoren; zij zullen daarin altijd blijven.

het begin van dit Koranvers (niet het geheel) wordt vaak geciteerd om aan te tonen dat de islam niet gewelddadig is, maar tolerant, ja zelfs toleranter dan menige andere religie, want waar vind je een gelijkwaardige uitspraak. De claim wordt al iets minder indrukwekkend door ook de rest van de tekst te lezen en de context erbij te betrekken. Ongelovigen (en de ‘grens-overschrijders’, zo betitelde Mohammed de inwoners van Mekka, die niet mee wilden gaan in zijn mono-theïstische zuivering) zullen wel niet gedwongen worden, maar straks wel branden in het vuur, samen met de anderen die ‘grensoverschrijdend gedrag’ vertonen (De grens is bepaald door Allah en zijn profeet). Ook zulke uitspraken bevatten geweld, vind ik, maar dit terzijde.

De tekst van soera 9:5 en 9:29

Als de heilige maanden zijn verstreken, doodt dan de veelgodendienaars waar jullie hen vinden, grijpt hen, belegert hen en wacht hen op in elke mogelijke hinderlaag. Maar als zij berouw tonen, de salaat verrichten en de zakaat geven, legt hun dan niets in de weg. God is vergevend en barmhartig (9:5)

Strijdt tegen hen die niet in God geloven, en niet in de laatste dag, en die niet verbieden wat God en zijn gezant verboden hebben en die niet de godsdienst van de waarheid aanvaarden uit het midden van hen aan wie het boek gegeven is, totdat zij naar vermogen onderdanig de schatting betalen (9:29)

Dat klinkt niet erg geruststellend voor iemand die zich niet houdt aan de islamitische codes. Zeker als je hiernaast dan ook nog enkele passages legt uit de hadith (afdeling authentieke bronnen), zoals in de uitlegging vaak gebeurt. Ze handelen wel niet over de omgang met andere religies, maar over afvalligheid. De eerste: ‘Degene die zijn godsdienst verlaat, doodt hem’ (Ben Abas). De tweede komt van Al Awzagi en is specifieker. Daarin stelt de profeet dat degene die ‘zijn godsdienst én de gemeenschap verlaat’ met de dood gestraft moet worden. Niet mis.

Het is wel duidelijk. De manier waarop men nu de verschillende (spanningsrijke) teksten in een hermeneutisch kader onderbrengt zal doorslaggevend zijn voor de toepassing.

Contextualisatie, abrogatie?

 Wat deed/doet men met de spanning tussen deze beide openbaringen? Ik beperk me tot de koranverzen. Bijna alle islamitische leraren van enig gezag stellen dat de positieve benadering van anders-gelovigen uit de beginperiode in Medina, zijn gelding heeft verloren heeft. Dus: 2.256 is een ‘vroeg vers‘ en gold voor de tijd waarbinnen het uitgesproken is, gericht op een specifieke situatie. Mohammed had bondgenoten nodig, en reikte dus Joden en christenen (en eventuele anderen) de hand. Ook de ongelovigen liet hij met rust. God zou wel over hen oordelen. (Dat laatste is overigens de algemene teneur in de koran).

De verzen uit soera 9 zijn van later datum en staan op gespannen voet met 2:256, in die zin dat hier wel degelijk sprake is van dwang in zaken van religie, ja een oproep om actief te strijden tegen degenen die zich niet aan Allah willen onderwerpen. Er is ook wel genade in deze tijd, maar enkel voor degenen die zich expliciet onderwerpen. Andersgelovigen of ongelovigen kunnen ontkomen aan het zwaard, op voorwaarde dat ze berouw tonen, Allah aanbidden en Mohammed eer bewijzen (=salaat) en belasting betalen (=zakaat, kort door de bocht). Deze soera’s passen ook naadloos bij Mohammed’s optreden in zijn latere fase in Medina, zoals beschrevenin de koran en bevestigd en nader ingevuld door vele betrouwbare hadiths. Als je de koran samenleest met de hadiths (inclusief de eerste biografie van Mohammed) dan is het duidelijk dat de politieke strategie van Mohammed in Medina, zeker vanaf het tweede jaar (de aanval op de karavaan aan het eind van de maand Badr), gebruik maakt van geweld. Het is een middel om je doel te bereiken, geheel normaal overigens in de cultuur en (stammen-)samenleving van toen. De ongeschreven wetten van die stammensamenleving (bijv. niet aanvallen in de heilige maand) maakt hij desgevallend ondergeschikt aan het behalen van zijn doel. Wie leest wat er staat, ziet ook al snel dat Mohammed niet enkel gewelddadig is geworden òmdat hij aangevallen werd. Met name de hadith windt er geen doekjes om. In Badr was niet de Quraysh de aanvaller, maar Mohammed. Hij gaf misschien niet direct bevel de karavaan van Abu Sufyan te plunderen, maar rechtvaardigde achteraf deze schending van de ‘godsvrede’ met een openbaring. [zie over deze ommekeer in Mohammed’s strategie, deze post]

Die nieuwe openbaring, heft die nu de oudere op? De voorwaarde hiervoor is dat er een wezenlijke tegenstelling moet zijn tussen het ‘latere’ vers en het ‘vroegere’. Alleen dan geldt het eerst vers als ‘opgeheven’ (mansukh), en het latere als nasikh (de abrogatie veroorzakend). Is er dus een wezenlijke tegenstelling tussen soera 9.29 en 9:5 en de veel tolerantere soera 2.256. Ook moet de tegenstelling onder islamgeleerden quasi unaniem worden aanvaard. Dus eerst: wat zegt de traditie?

De traditie zegt: abrogatie

Als we daarnaar kijken zien we dat hier een grote consensus te vinden is en men van abrogatie spreekt, zij het dat men van mening kan verschillen over de precieze strekking van 2:256, maar het feit van de abrogatie zelf staat voorzover ik het hebben kunnen nazien, niet ter discussie. Daarvoor moet je wachten tot de moderne tijd. Volgens sommige exegeten is 2:256 in etappes geabrogeerdOp grond van 9:73 [note] O profeet, stel je te weer tegen de ongelovigen en de huichelaars en pak hen stevig aan. Hun verblijfplaats is de hel; dat is pas een slechte bestemming![/note] is al duidelijk, dat de tekst niet geldt voor polytheïsten. Vanwege 9:29 (zie boven) komen ook de mensen met een Schriftreligie niet meer in aanmerking om door 2:256 te worden beschermd tegen dwang (zoals eerst wel de bedoeling was). Zij moeten zich onderwerpen aan de islamitische overheerser, en minstens uitwendig lippendienst bewijzen aan de islam. De definitieve genadeslag wordt dan toebedeeld door het bekende zwaardvers 9:5 (zie boven)Andere exegeten stelden dat het vers sowieso enkel op de volken met een ‘Heilige Boek’ betrekking heeft, die dus als Dhimmis mogen voortbestaan in de dar-al-islam. De Polytheisten hebben nooit op dit vers aanspraak kunnen maken.

Juridische gevolgen

Abrogatie of niet: Juristen (en dat is binnen de islam eigenlijk de belangrijkste groep) interpreteerden de tekst altijd zo, dat ze in 2.256 een oproep horen om de Dhimmis (m.n. Joden, Christenen) niet tezeer lastig te vallen. Je moet ze met rust laten als ze de opgelegde belasting betalen. De superioriteit van de islam staat niet ter discussie. Geen dwang om moslim te worden dus, maar zeker ook geen gelijkwaardigheid. Een constante in al deze interpretaties is dat ze een dubbel karakter hebben. Ze zijn een combi van een zelfzekere islam (‘wij hebben de waarheid in pacht’), gepaard aan de clemente houding ten opzichte van degene die zich onderwerpt. Voorwaarde is altijd, dat de ‘ander’ de superioriteit van de islam erkent en zich in elk geval in alle zaken onderwerpt aan wat de moslimwet hierover gebiedt.

Levende religie: geen abrogatie!

Maar daarmee zijn we er nog niet. De islam is een levende religie en kan dus veranderen. Het is dus wel degelijk veelzeggend en betekenisvol dat er in de moderne tijd – en vooral vandaag – steeds meer exegeten te vinden zijn die de klassieke abrogatie bestrijden. Zij stellen bijv. dat 2.256 een moreel principe bevat, dat daarom nooit geabrogeerd kan worden, wat er later ook gebeurd. Het is wel duidelijk dat hiermee het principe van ‘abrogatie’ zelf ‘im Frage’ wordt gesteld. Ik wens de moderne exegeten veel succes. Ze hebben mijn sympathie.