Mohammed’s koersverandering in Medina

Na de vlucht (‘Hijra’) van Mekka naar Medina (toen nog Jatrib geheten), knapt er iets bij Mohammed. Dit wordt duidelijk in de manier waarop hij welbewust breekt met oeroude tradities en probeert de stamverwantschap (Quraysh) te vervangen door een broederschap gebaseerd op ‘islam’ en wel m.n. de salaat en de zakaat. Hieronder wat er gebeurd is – samengelezen uit koran en hadiths, incl. de eerste biografieën van Mohammed (Ibn Ishaq)

Tijdens de heilige maand Rajab van het tweede jaar na de Hijra stuurde Mohammed een groepje van ca. 10 personen erop uit met een verzegelde brief, die pas na twee dagen mocht geopend worden. De maand Rajab was één van de vier heilige maanden, die – in het tijdperk voor Mohammed – waren ingesteld om de bedevaart naar Mekka te faciliteren. Tijdens die maanden was er geen enkel wapengeweld toegestaan en reisden karavanen zonder militair escorte. Er gold wat we in Europa een ‘godsvrede’ noemen. Letterlijk iedereen hield zich daaraan. Logisch ook, want doorbrak je die afspraak, dan haalde je je de toorn van alle andere stammen op de hals.
De groep moest bij Nakhla (ten Zuiden van Mekka) gaan zien wat de Quraysh uitrichtte. Op die plek passeerden geregeld kleine karavanen met voedsel (meestal gedroogde druiven) lederwaren. De mannen legden zich in hinderlaag. Zij zagen een karavaan naderen met vier begeleiders. De heilige maand was echter nog niet voorbij. Toch openden ze de aanval, schoten de leider dood, namen twee begeleiders gevangen (de vierde wist te ontkomen). Triomferend trokken de overvallers met hun buit, incl. de twee gevangen, naar Medina. Daar verwachtten ze als helden ingehaald te worden. Dat viel tegen: Mohammed ontkende dat hij hen had bevolen te vechten tijdens de heilige maand en de Joodse gemeenschap was verontwaardigd. Zij beschouwden deze overval als een oorlogsverklaring.

Mohammed kwam in een spagaat terecht. Hij had het meegebrachte voedsel nodig, want de nood in de gemeenschap (‘umma’)  was hoog. Maar hij moest dus ook de mannen die hij erop uitgezonden had, uitleveren aan Mekka, en verklaren dat ze de godsvrede geschonden hadden en dus in het hiernamaals zouden moeten boeten in de hel (‘Jahannam’). Hij deed echter geen van beiden. Integendeel. Hij verklaart de heiligschennis legitiem, omdat ze op zijn bevel (dat wil zeggen: Gods bevel) gebeurde. Hij openbaart nu ook de openbaring die dit bevestigt en die eigenlijk de laatste band met de Arabische traditie doorsnijdt.

Aan jullie is voorgeschreven te strijden, hoezeer het jullie ook tegenstaat. Maar misschien staat jullie iets tegen wat toch goed voor jullie is en misschien hebben jullie iets lief wat toch slecht is voor jullie. Allah weet het, jullie niet. (soera 2:216).

Van schurken die schandalig gehandeld hadden, tegen de heilige traditie in, worden de moordenaars van Nakhla tot onwetenden die zich opgeofferd hebben om iets te doen dat nu eenmaal gedaan moest worden. De ware onverlaten waren nu zij die hen kwalijk namen dat zij hun goddelijke plicht hadden gedaan. Dit wordt in het volgende vers met zoveel woorden ok gezegd:

Zij vragen jou over de heilige maand, over het strijden erin. Zeg: “Erin te strijden is een ernstige zaak, maar het versperren van Allah’s weg, het niet in Hem en de heilige moskee geloven en het verdrijven van de mensen die daarbij horen, gelden bij God als ernstiger. Verzoeking [‘fitna’] is ernstiger dan te doden. (soera 2:217a).

In feite zegt deze openbaring dus dat wat Mekka met de profeet heeft gedaan – hem met de zijnen wegjagen uit die stad – voldoende excuus was om de heiligste wetten van Arabië (de godsvrede in een heilige maand) te doorbreken. Echter: Mohammed was echter helemaal niet weggejaagd, maar op de loop gegaan nadat hij zichzelf had buitengesloten. Dat had de openbaring echter ook al voorzien:

Zij zullen pas ophouden tegen jullie te strijden wanneer zij jullie van jullie godsdienst hebben afgebracht; als zij dat zouden kunnen. Wie van jullie zich van hun godsdienst afkeren en dan als ongelovigen sterven, dat zijn zij wier daden in het tegenwoordige leven en in het hiernamaals vruchteloos zijn. Zij zijn het die in het vuur thuis horen; zij zullen daarin altijd blijven. Zij die geloven en zij die uitgeweken zijn en zich op Allah’s weg inspannen, zij zijn het die op Allah’s barmhartigheid hopen. Allah is vergevend en barmhartig (soera 2:217b-218).

De strijders van Nakhla waren dus geen laffe moordenaars, maar helden die boven op de krijgsbuit een beloning mogen verwachten in het paradijs. Na die bevrijdende openbaring decreteerde Mohammed dat de buit van Nakhla wél aanvaard en verdeeld werd, zodat er een groot feest kon gehouden worden. Zijn carrière als roverhoofdman was definitief begonnen en de boerenstad Jathrib (Medina) moest zich erbij neerleggen dat zij – in haar verlangen naar vrede en verzoening – een rovershol was geworden. Toen hij daar later nog op bekritiseerd werd, kwam er nog een openbaring tot hem:

Zullen jullie dan niet strijden tegen mensen die hun eden gebroken hebben en die van plan waren de gezant te verdrijven, terwijl zij het eerst tegen jullie zijn begonnen? Vrezen jullie hen? Allah komt het met meer recht toe dat jullie Hem vrezen als jullie gelovig zijn. (soera 9:13).

En:

Bestrijdt op Allah’s weg hen die jullie bestrijden, maar begaat geen overtredingen; God bemint de overtreders niet. 191 Doodt hen waar jullie hen aantreffen en verdrijft hen waarvandaan zij jullie verdreven hebben. Verzoeking is erger dan te doden. Strijdt niet tegen hen bij de heilige moskee, zolang zij daarin niet tegen jullie strijden. Als zij tegen jullie strijden, strijdt dan tegen hen; zo is de vergelding voor de ongelovigen. 192 Maar als zij ophouden, dan is God vergevend en barmhartig. 193 Strijdt tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst alleen aan Allah toekomt. Als zij ophouden, dan geen vergelding meer, behalve tegen de onrechtplegers. (soera 2:190-193)

Nu zijn niet slechts de Mekkanen slecht omdat zij de profeet verdreven hebben, ook de Medinezen moesten voor hun hachje vrezen omdat zij er over gedacht hebben de profeet weer naar huis terug te sturen. Er is slechts één uitweg: onderwerping en erkenning van Allah als God en Mohammed als zijn profeet.

[zie hiervoor uitgebreider bijv. Eddy Daniëls, De kwestie M, hoofdstuk VIII]