Van Mekka naar Medina (koran)

Twee periodes in de koran (Mekka en Medina)

Van essentieel belang om de koran te begrijpen is het historische besef dat de het boek genaamd ‘de koran’ een latere schriftelijke codificatie betreft van wat aanvankelijk mondeling werd overgeleverd. De overleveringsketen begon bij Allah en liep via de engel Gabriël naar Mohammed en dan naar zijn vrienden en aanhangers, die naar men aanneemt, bedreven waren in het memoriseren). De overlevering aan Mohammed voltrekt zich tussen 610 en 632 van onze tijdsrekening als we de interne gegevens van de koran interpreteren volgens de oudste exegeten. Daarna is het een kwestie van ‘bewaren’ en doorgeven en dan verzamelen en codificeren (eind zevende eeuw?). De ontstaansperiode van de overleveringen die de kern van de islam vormen, omspant dus goed 22 jaar.

Die periode valt vervolgens uiteen in twee ‘deelperiodes’, met name de jaren in Mekka, en de jaren in Yahtrib of Medina. Het onderscheid tussen beide periodes is cruciaal om de koran te verstaan (geen tekst zonder context, nietwaar). In Mekka was Mohammed namelijk nog de underdog, die de boodschap van de ene God, Allah, begon te verspreiden onder zijn toen nog heel bont gelovende, zeer polytheïstisch ingestelde stads- en stamgenoten. Bij sommigen uit zijn omgeving slaat de boodschap aan, maar tegen 622 zijn de meesten in Mekka zijn gepreek beu. Zij dreigen ermee hem het zwijgen op te leggen en hij neemt dan ook het aanbod aan van enkele fans uit Yahtrib, het latere Medina, om zich bij hen te vestigen. Die oversteek naar Medina is bekend gebleven als de ‘hidjra’ of vlucht. Eenmaal in Medina groeit Mohammeds faam en gezag en wordt hij uiteindelijke heer en meester en keert zo tegen het eind van zijn leven glorieus terug naar Mekka, waar hij de nodige hervormingen doorvoert en de eerste aanzet geeft tot de uitbouw van het islamitische rijk. 

Belangrijk is nu dat die transformatie van underdog tot gezaghebber zich laat aflezen aan de aard van de koranverzen. Terwijl de Mekkaanse periode vooral poëtisch geïnspireerde, lyrische en metaforische verzen voortbracht, is de toon van de Medinensische verzen veel praktischer gericht en maatschappelijk instructiever van aard. De Mekkaanse verzen zijn vaak verleidelijke, omfloerste lofzangen op de schepping, terwijl de Medinensische veel meer klinken als praktische instructies, orders en administratieve richtlijnen. Bovendien formuleert Mohammed circa 624 het zogenaamde ‘Charter van Medina’, wat mag worden opgevat als het eerste handvest van de ideale (islamitische) staat – zowel in zijn religieuze als sociale en politieke dimensie. In dat charter komt hijzelf als absolute heerser naar voren. Zo heeft hij zijn stempel op de geschiedenis gedrukt en is de basis voor een expansieve islam gelegd, die heel snel na Mohammed’s dood de wereld heeft veroverd…