leer- en leefregels van de koran

Enkele kenmerken van de wereld van de koran .

  • De ergste zonde is sjirk: dat is aan God deelgenoten in het goddelijke toeschrijven (zoals volgens Mohammed in de triniteitsleer gebeurt. God heeft geen zoon…).
  • Koefr: Als je tijdens je leven niet erkent dat God een goede schepper en onderhouder is, ben je een kafir (ons woord kaffer); Daartegenover staat de moslim. Hij is degene zich wel overgeeft aan Gods wil. Let wel: moslim zijn is dus niet zozeer bepaalde ‘dingen geloven’, maar een ‘stand van zaken erkennen’, nl. God is de hoogste en ik ben hem gehoorzaamheid verschuldigd.
  • Abraham had deze opvatting, en geloofde in één God. Hij was dus een moslim.  Via zijn zoon Ismaël is hij stamvader van de Arabieren.
  • In de Koran bestaat spanning tussen Gods voorbeschikking, die bepaalt of een mens zich al dan niet onderwerpt aan God, en de verantwoordelijkheid van de mens om God te dienen. Dat thema leidde net als in het christendom tot heftige theologische debatten over predestinatie.
  • Er is geen erfzondeleer: de mens is van nature goed.
  • Naast mensen en Allah zijn er ook nog engelen, djinns en duivels, met Iblies als de satan.
  • Op de laatste dag, de dag des oordeels bepalen naast geloof vooral je goede en slechte daden je lot.
  • Er zijn veel profeten geweest, d.w.z. mensen die als taak hadden andere mensen voor dit oordeel te waarschuwen. Mohammed is de laatste.
  • Verder bevat de koran vooral veel voorschriften, allereerst voor de eredienst: rituelen rond het verrichten van de salaat. Ook aan de zorg voor armen en zwakken is veel aandacht besteed. In de Medinische perioden werden ook zaken rond diefstal, huwelijk, erfrecht, echtscheiding en overspel geregeld, waarbij enerzijds de (voor moderne begrippen) strenge straffen opvallen, en anderzijds de grote nadruk op het belang van goede bewijzen en getuigen opvalt om valse beschuldigingen te voorkomen.